Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is
ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook
artikel 10:29 lid 1)
**1.** In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een
langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de
bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de
duur van het wachtgeld vastgesteld overeenkomstig de volgende
leden.
**2.** De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden,
vermeerderd voor de betrokkene:
die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet
heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de
diensttijd;
die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van
19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar
opklimmende met 1,5%;
die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur
gelijk aan 78% van de diensttijd.
**3.** Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het
voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld,
waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid
van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld
krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de
berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid
mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening
van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende
duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder
toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in
het volgende lid, in mindering gebracht.
**4.** In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten
tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor
pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de
som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60
jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld
is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere
verlenging duurt tot de dag waarop hij de AOW-gerechtigde leeftijd
bereikt.
**5.** De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in
het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de
vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de
betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor
pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval
blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere
verlenging, buiten aanmerking