Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep
ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)
**1.** Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie
een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit,
gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene
over een tijdvak van drie maanden.
**2.** Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:
aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde
partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere
echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden leefde;
bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de
minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;
bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan
degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de
kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in
gezinsverband leefde.
**3.** Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of
geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van
verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke
huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie
bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.
**4.** Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan
slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk
voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in
de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars
verzorging voorzien.
**5.** Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in
mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten
betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden
aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer
werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen,
uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar
aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen,
waarop betrokkene recht had.