Als bestedingsdoelen worden erkend:
uitgaven tot verwerving van een tot hoofdverblijf dienende eigen woning, als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001, door de deelnemer of zijn echtgenoot, dan wel zijn partner. Hieronder wordt mede verstaan de verkrijging van het lidmaatschap van een coöperatie waarvan de leden enkel op grond van hun lidmaatschap het recht van uitsluitend gebruik hebben van een aan de coöperatie in eigendom toebehorend gebouw, dan wel van een afzonderlijk gedeelte van een zodanig gebouw;
voldoening van premies, andere dan premies ingevolge een pensioenregeling, verschuldigd ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een lijfrente als bedoeld in artikel 45, eerste lid, onderdeel g, onder 1, 3, 4 of 5 en zesde lid, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 is verzekerd, mits voldaan is aan het bepaalde in artikel 9, lid 1;
voldoening van premies, andere dan premies ingevolge een pensioenregeling, verschuldigd ingevolge een overeenkomst van levensverzekering waarbij een kapitaaluitkering bij in leven zijn is verzekerd en de voldane premies voor bij dezelfde overeenkomst overeengekomen vrijstellingen van premiebetaling bij invaliditeit, ziekte of ongeval, mits voldaan is aan het bepaalde in artikel 9, lid 2;
regelmatige inleggingen, waartoe de deelnemer of zijn echtgenoot, dan wel zijn partner zich heeft verplicht ingevolge een overeenkomst met een spaarinstelling tot het sparen met levensverzekering, mits voldaan is aan het bepaalde in artikel 9, lid 3;
uitgaven in verband met belegging in effecten, mits voldaan is aan het bepaalde in artikel 10;
uitgaven in verband met de start van activiteiten uit welke de werknemer vermoedelijk, als ondernemer in de zin van artikel 3.4 van de Wet inkomstenbelasting 2001, winst uit onderneming als bedoeld in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001 zal gaan genieten. Artikel 8a, eerste tot en met derde lid, van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen van de Staatssecretarissen van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is van overeenkomstige toepassing;
compensatie van loon dat niet is genoten door de werknemer, als gevolg van de opname van onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof door de werknemer, mits de dienstbetrekking ten tijde van het onbetaald verlof of gedeeltelijk onbetaald verlof ongewijzigd blijft voortbestaan. Artikel 8b, eerste tot en met derde lid, van de Uitvoeringsregeling werknemersspaarregelingen en winstdelingsregelingen van de Staatssecretarissen van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is van overeenkomstige toepassing;
uitgaven in verband met kosten van het volgen van een opleiding of studie door de werknemer, met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning, met uitzondering van kosten:
die verband houden met een werk- of studeerruimte, daaronder begrepen de inrichting;
van binnenlandse reizen voor zover die meer bedragen dan het bedrag per kilometer, bedoeld in artikel 15b, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de loonbelasting 1964 en van cursussen, congressen, seminars, symposia, excursies, studiereizen en dergelijke gevolgd door de werknemer ter behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking;
uitgaven ter voldoening van ingevolge een pensioenregeling vrijwillig te betalen premies. Artikel 8, eerste tot en met vierde lid, en artikel 8, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling werknemers-spaarregelingen en winstdelingsregelingen van de Staatssecretarissen van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is van overeenkomstige toepassing.