Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 19

Betalingen door gemeenten

Onderdeel van Gemeenschappelijke regeling afvalstoffenverwijdering Zeeland

1. Het nadelig saldo van de exploitatierekening van het openbaar lichaam wordt per activiteit over de gemeenten omgeslagen:a. in verhouding tot de werkelijke hoeveelheid (tonnen of stuks) van de door elke gemeente aangeboden afvalstroom, in het jaar waarop de rekening betrekking heeft; ofb. in verhouding tot het aantal inwoners van de gemeenten. 2. Het algemeen bestuur bepaalt per activiteit welke omslag toegepast wordt. 3. Maandelijks worden voorschotbedragen in rekening gebracht, waarbij, indien relevant, wordt uitgegaan van de werkelijk geleverde hoeveelheden afval. 4. Elke gemeente is verplicht het bedrag, dat uit de omslag voor haar resulteert, aan het openbaar lichaam te voldoen. 5. a. De gemeenten in Midden- en Noord-Zeeland zijn verplicht de door hen volgens de begroting aan het openbaar lichaam verschuldigde jaarlijkse bijdragen in de transportkosten bij wijze van voorschot te voldoen en wel in de maanden april en oktober, telkens voor de helft.b. Bij de vaststelling van de rekening over het betreffende dienstjaar worden de voor degemeenten in Midden- en Noord-Zeeland verschuldigde bijdragen definitief vastgesteld.c. Bij vaststelling van de begroting voor het volgende dienstjaar, voor 1 juli van elk jaar stelt het algemeen bestuur vast:1 per gemeente in Midden- en Noord-Zeeland het bedrag, aangevende de kosten per ton groen-, gft- en restafval, wegens transport van die stoffen van de gemeente naar de brenglocatie, over het laatst verstreken dienstjaar;2 het bedrag, aangevende de gemiddelde kosten per ton groen-, gft- en restafval, wegens transport van die stoffen van de onderscheiden gemeenten naar de brenglocatie, over het laatstverstreken dienstjaar. d. Elk der gemeenten, voor welke het bedrag, bedoeld in c, onder 1, lager is vastgesteld dan het bedrag, bedoeld in c, onder 2, draagt aan het openbaar lichaam af een bedrag, hetwelk wordt bepaald door vermenigvuldiging van het verschil tussen de bedragen 1 en 2 voornoemd, en het aantal tonnen groen-, gft- en restafval dat van de betreffende gemeente tijdens het laatstverstreken dienstjaar op de brenglocatie is geaccepteerd.                                                                                                                                                                                                   e. Elk der gemeenten voor welke het bedrag, bedoeld in c, onder 1, hoger is vastgesteld dan het bedrag, bedoeld in c, onder 2, ontvangt van het openbaar lichaam een bedrag, hetwelk wordt bepaald door vermenigvuldiging van het verschil tussen de bedragen 1 en 2 voornoemd, en het aantal tonnen groen-, gft- en restafval dat van de betreffende gemeente tijdens het laatstverstreken dienstjaar op de brenglocatie is geaccepteerd. 6. Het gestelde in het vijfde lid kan van overeenkomstige toepassing worden verklaard op de deelnemende gemeenten in Zeeuwsch- Vlaanderen.

Rechtspraak bij dit artikel