Het dagelijks bestuur bestaat uit:
de voorzitter;
twee leden, die uit het midden van het algemeen bestuur worden aangewezen, met dien verstande dat deze leden geen lid zijn van het college, waarvan de voorzitter lid is en geen lid zijn van hetzelfde college;
ten minste twee en ten hoogste drie leden, die van buiten de kring van het algemeen bestuur worden aangewezen.
De voorzitter is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur en heeft daarin stemrecht.
De in lid 1, onder c, bedoelde leden moeten op grond van hun deskundigheid geacht worden de geschiktheid te hebben, welke nodig is om uitvoering te geven aan de taakstelling van het dagelijks bestuur.
De leden treden af op de dag van aftreden van de leden van het algemeen bestuur.
Zij worden aangewezen in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling, volgend op de dag van aftreden van de leden van de collegesder deelnemende gemeenten.
Het aanwijzen van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die door ontslag, overlijden of om een andere reden openvallen, vindt plaats binnen één maand na dat open vallen. Gaat dit laatste gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur dan vindt het aanwijzen plaats binnen drie maanden na dat open vallen.
Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, door of vanwege het bestuur van de dienst aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld Wsw-werknemers en gesubsidieerde werknemers in dienst van de dienst, alsmede SBW-medewerkers, medewerkers in dienst bij de Stichting Fidant en medewerkers in dienst bij de Stichting Pijler Midden-Langstraat.
Werkwijze
Artikel 17
Artikel 17
Onderdeel van Regeling voor de Dienst Werkbedrijf voor gesubsidieerde arbeid, activering en trajecten Midden-Langstraat