Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1.

Artikel 1.

Regels rond verstrekking en verantwoording

Onderdeel van Besluit individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Leidschendam-Voorburg 2009

1.. Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager en geldt voor de duur van de indicatie. 2.. De verstrekking van een persoonsgebonden budget vindt plaats onder de voorwaarden dat de aanvrager of diens gemachtigde: een voorziening in staat is te selecteren op basis van een programma van eisen en in staat is de voorziening te onderhouden. 3.. De verstrekking van een persoonsgebonden budget ten aanzien van hulp bij het huishouden vindt plaats onder de voorwaarden dat de aanvrager of diens gemachtigde: kan bepalen door wie, wanneer, waar en hoe de benodigde zorg wordt verleend; personeel kan werven; een zorgverlener kan uitbetalen; een administratie kan bijhouden; verantwoording kan afleggen als bedoeld in artikel 1.5. van dit besluit. 4.. Verstrekking als persoonsgebonden budget vindt niet plaats indien: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager dusdanige problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget dat het toekennen niet tot het beoogde resultaat zal leiden. 5.. Het persoonsgebonden budget dient binnen één maand na toekenning worden besteed aan het doel waarvoor deze verstrekt is. 6.. Het persoonsgebonden budget dient besteed te worden aan een adequate voorziening of een kwalitatief verantwoorde dienstverlening (hulp bij het huishouden). Onder een adequate voorziening of een kwalitatief verantwoorde dienstverlening wordt verstaan: “een voorziening of dienstverlening waarmee de beperking(en) voor de budgethouder wordt verminderd of opgeheven en de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie wordt behouden of bevorderd. 7.. . In plaats van de goedkoopst compenserende geïndiceerde voorziening kan de budgethouder met het persoonsgebonden budget overgaan tot de aanschaf van een luxueuser middel, mits deze voorziening de beperking(en) van de budgethouder verminderd of opheft en de zelfredzaamheid wordt behouden of bevorderd. Indien op een luxueuser uitgevoerde voorziening onderdelen zitten die meer en/of hogere onderhouds- en reparatiekosten vergen dan de geïndiceerde voorziening, zijn deze meerkosten voor rekening van de budgethouder. 8.. . In de beschikking wordt een termijn vermeld waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt. Deze termijn is gelijk aan de technische levensduur van een voorziening en bedraagt, met uitzondering van hulp bij het huishouden, vijf jaar. De budgethouder wordt geacht hiermee minimaal gedurende deze periode te kunnen gebruikmaken van een compenserende voorziening. Na afloop van de gestelde termijn wordt pas een nieuw persoonsgebonden budget dan wel voorziening verstrekt wanneer de technische levensduur van de voorziening is verstreken. 9.. . Als de budgethouder de voorziening of dienstverlening binnen de gestelde periode waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt niet langer gebruikt of niet meer geschikt is, dient de budgethouder dit direct te melden aan de gemeente. De budgethouder dient het persoonsgebonden budget naar rato terug te betalen of de gemeente te verzoeken de voorziening over te nemen. Als de gemeente daarmee instemt, gaat het eigendom over naar de gemeente. De budgethouder ontvangt hiervoor geen vergoeding. Het onder b genoemde geldt ook als de budgethouder binnen de gestelde periode waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt verhuist naar een andere gemeente. In geval van overlijden dienen de erven ofwel het persoonsgebonden budget naar rato terug te betalen of de voorziening over te dragen aan de gemeente. 10.. De budgethouder is verplicht om desgevraagd de volgende gegevens aan het college te verstrekken: de nota/factuur van de aangeschafte voorziening; een betalingsbewijs van de aangeschafte voorziening; een overzicht van de salarisadministratie/declaratieformulier; zorgovereenkomst(en). 11.. De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt plaats door middel van steekproefsgewijs controle waarbij de steekproef minimaal een omvang heeft van 50% van de verstrekte persoonsgebonden budgetten, na afloop van de verstrekking dan wel na afloop van enig kalenderjaar.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel