De graven worden onderscheiden in:
eigen graven, ten aanzien waarvan voor 1 januari 1969 aan de rechthebbende voor onbepaalde tijd het recht is verleend om met uitsluiting van anderen daarin stoffelijke overschotten te doen begraven;
eigen graven, ten aanzien waarvan aan de rechthebbende het recht is verleend om met uitsluiting van anderen daarin stoffelijke overschotten te doen begraven voor de tijd van twintig achtereenvolgende jaren. Deze termijn kan op verzoek van de rechthebbende telkens met een termijn van tien jaren worden verlengd. Het verzoek om deze termijn te verlengen kan ingediend worden vanaf een half jaar vóór het verstrijken van de lopende termijn tot uiterlijk het moment van verstrijken van de lopende termijn.
algemene graven, waaronder worden verstaan alle overige graven, naar de in artikel 14, vijfde lid, van de Beheersverordening gemaakte onderverdeling;
onder algemene graven en eigen graven worden tevens begrepen algemene urnengraven en eigen urnengraven.
Artikel 3
Definities
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van begrafenisrechten 2011