Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 3.

Artikel 8.

Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid

Onderdeel van Verordening Peuterspeelzalen 2005

1.. De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elke door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt. 2.. De houder legt schriftelijk vast welk beleid de peuterspeelzaal hanteert bij ziekte van een kind. 3.. Het is aan de houder, dan wel aan degene die met de dagelijkse leiding is belast, verboden: enig persoon tot de peuterspeelzaal of tot enige daarmee in verbinding staande lokaliteit toe te laten of daarin te vertoeven, wanneer, volgens of vanwege de directeur van de GGD, daarmee het gevaar van overbrenging van een infectieziekte, als genoemd in de Wet bestrijding infectieziekten en opsporing ziekteoorzaken, aanwezig is; b enig persoon tot de peuterspeelzaal of tot enige daarmee in verbinding staande lokaliteit toe te laten of daarin zelf te vertoeven, wanneer hij redelijkerwijs kan vermoeden dat daarmee het gevaar van overbrenging van een infectieziekte, zoals genoemd in de onder a vermelde wet, aanwezig is. 4.. Van het in het derde lid onder a omschreven verbod is de houder ontheven, zodra de behandelend geneesheer een schriftelijke verklaring heeft afgegeven dat de kans op overbrenging van een infectieziekte is uitgesloten; deze bepaling en de bepalingen in het derde lid laten onverlet de bepalingen krachtens de in het derde lid, onder a, genoemde wet. 5.. De houder moet ten behoeve van de bij de peuterspeelzaal aanwezige kinderen, beroepskrachten en begeleiders een passende aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering afsluiten. 6.. De houder draagt er zorg voor dat het vlucht- en ontruimingsplan voor brand en calamiteiten tenminste eenmaal per jaar wordt geoefend in aanwezigheid van de kinderen en alle leidsters en begeleiders. Indien de houder geen houder is van de gebruiksvergunning voor het pand waarin de peuterspeelzaal is gehuisvest, stelt de houder, in overleg met de houder van de gebruiksvergunning, voor de peuterspeelzaal een eigen vlucht- en ontruimingsplan op, dat past binnen het vlucht- en ontruimingsplan voor het hele pand.

Rechtspraak bij dit artikel