Het dagelijks bestuur bestaat uit:a. de voorzitter van de dienst;b. drie leden die door het algemeen bestuur uit zijn midden worden aangewezen, met dien verstande dat deze leden geen lid zijn van het college, waarvan de voorzitter lid is en geen lid zijn van hetzelfde college;c. tenminste twee en ten hoogste drie leden die door het algemeen bestuur doch niet uit zijn midden, worden aangewezen.
De voorzitter is tevens voorzitter van het dagelijks bestuur en heeft daarin stemrecht.
De in lid 1, onder c, bedoelde leden moeten op grond van hun algemene belangstelling voor de sociale werkvoorziening of hun deskundigheid op enig gebied daarvan geacht worden de geschiktheid te hebben welke nodig is om uitvoering te geven aan de taakstelling van het dagelijks bestuur.
Het algemeen bestuur wijst in de eerste vergadering van elke zittingsperiode de leden van het dagelijks bestuur aan.
De leden treden af op de dag van aftreden van de leden van het algemeen bestuur, met dien verstande dat zij in het dagelijks bestuur zitting blijven houden tot aan het tijdstip dat hun opvolgers hun aanwijzing als lid van het dagelijks bestuur hebben aanvaard.
Het aanwijzen van leden van het dagelijks bestuur ter vervulling van plaatsen die door ontslag, overlijden of om een andere reden openvallen, vindt plaats binnen één maand na dat openvallen.
Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar, aangesteld door of vanwege een deelnemende gemeenten of door het bestuur van de dienst. Met ambtenaar worden voor de toepassing van dit artikel gelijkgesteld Wsw werknemers en zij die, op arbeidscontract naar burgerlijk recht, werkzaam zijn bij een door de regeling opgerichte rechtspersoon.