Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:

a. het vonnis in de zaak 8937120 CV EXPL 20-22882 van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2021;

b. de arresten in de zaak 200.300.335/01 van het gerechtshof Amsterdam van 22 maart 2022, 19 juli 2022, 3 oktober 2023 en 13 februari 2024.

Bij voormeld tussenarrest van 13 februari 2024 heeft het hof op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld.

Uber, de Chauffeurs en FNV hebben ieder schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot beantwoording prejudiciële vragen als in de conclusie onder 11.4-11.15 en 14.12-14.13 vermeld.

De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.