Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van Besluit vaststelling wachtgeldregeling officieren Koninklijke Landmacht· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 22 september 1935

1. Aan een officier, als bedoeld in art. 1, wordt het genot van wachtgeld toegekend gedurende een tijdvak, gelijk aan zijn diensttijd. 2. Voor zooveel een officier ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten minste tien jaren heeft volbracht en het aantal jaren van dien diensttijd te zamen met het aantal jaren van den leeftijd, dien hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 55 of meer bedraagt, wordt hem na afloop van den in het eerste lid bedoelden termijn een verder genot van wachtgeld toegekend. 3. Het wachtgeld, bedoeld in het eerste lid, bedraagt: indien de officier ten tijde van het ontslag kostwinner is van een gezin, gedurende de eerste drie maanden de laatstelijk door het genoten bezoldiging, gedurende de volgende drie maanden 85, gedurende de daaropvolgende vijf jaren 70, gedurende de daaraanvolgende vijf jaren 60 en vervolgens 50 ten honderd van de laatstelijke genoten bezoldiging; in de overige gevallen gedurende de onder a bedoelde termijnen onderscheidenlijk de laatstelijk genoten bezoldiging en 75, 60, 50 en 40 ten honderd daarvan;/OI een en ander voor zoover de termijnen, waarover het genot van wachtgeld is toegekend, niet reeds eerder zijn geëindigd en met dien verstande, dat het wachtgeld niet daalt beneden het bedrag van het uitgesteld pensioen, waarop de betrokkene terzake van het hem verleende ontslag uitzicht heeft of, indien uit hoofde van eenigerlei omstandigheid zoodanig uitzicht niet of niet meer ten volle bestaat, anders zou hebben gehad. 4. Het wachtgeld, bedoeld in het tweede lid, is gelijk aan het bedrag van het uitgesteld pensioen, waarop betrokkene terzake van het hem verleende ontslag uitzicht heeft of, indien uit hoofde van eenigerlei omstandigheid zoodanig uitzicht niet of niet meer ten volle bestaat, anders zou hebben gehad, met dien verstande, dat, indien het evenbedoelde bedrag minder bedraagt dan 40 ten honderd van de laatstelijk genoten bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid van artikel 5, het wachtgeld gedurende het eerste jaar op laatstvermeld bedrag wordt gesteld. 5. Wanneer het tweede lid niet van toepassing is, kan in buitengewone gevallen het wachtgeld na afloop van den in het eerste lid bedoelden termijn voor een bepaalden tijd worden voortgezet; dat wachtgeld bedraagt ten hoogste, naar gelang de betrokkene ten tijde van het ontslag al dan niet kostwinner was van een gezin, onderscheidenlijk 50 of 40 ten honderd van de laatstelijk genoten bezoldiging. 6. Voor de toepassing van dit artikel komt de ingevolge art. 70, 3°. of 4°., der Bevorderingswet voor de landmacht 1902 reeds op nonactiviteit doorgebrachte tijd in mindering van het in het eerste lid genoemde tijdvak, gedurende hetwelk wachtgeld kan worden toegekend.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel