**1.** De jaarlijkse aflossing zal geschieden op 1 November, voor de eerste maal op 1 November 1949, telkens naar de stand aan het begin van de dienst op 1 October daaraan voorafgaande, en wel in:
1949
4/133
1960
4/89
1971
4/45
1950
4/129
1961
4/85
1972
4/41
1951
4/125
1962
4/81
1973
4/37
1952
4/121
1963
4/77
1974
4/33
1953
4/117
1964
4/73
1975
4/29
1954
4/113
1965
4/69
1976
4/25
1955
4/109
1966
4/65
1977
4/21
1956
4/105
1967
4/61
1978
4/17
1957
4/101
1968
4/57
1979
4/13
1958
4/ 97
1969
4/53
1980
4/ 9
1959
4/ 93
1970
4/49
1981
4/ 5
1982
het restant,
met dien verstande, dat op de aflossing op 1 November 1949 in mindering wordt gebracht het bedrag der tussen 1 Maart en 30 September 1949 voor zekerheidstellingen en heffingen in betaling gegeven schuld en op de aflossing op 1 November 1950 hetgeen uit dezen hoofde in betaling is gegeven tussen 1 October 1949 en 30 September 1950.
**2.** Indien in enig jaar het af te lossen bedrag, als in lid 1 aangegeven, verhoogd met de schuld, die in het aan de aflossing voorafgaande tijdvak van 1 October tot 30 September wegens betaling van zekerheidstellingen en heffingen is gedelgd, lager zou zijn dan 1/47ste deel van het op 1 maart 1949 uitstaande restant der schuld, zal het dermate worden verhoogd, dat, met inbegrip van de delging door belastingbetaling, ten minste genoemd 1/47ste deel wordt gedelgd. De bevoegdheid tot versterkte delging blijft gehandhaafd.
Artikel 8
Artikel 8
Onderdeel van Beschikking overdracht en aflossing Grootboek 1946· Financieel en economisch recht
Deze tekst geldt sinds 1 maart 1949