Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Artikel 8

Onderdeel van Beschikking overdracht en aflossing Grootboek 1946· Financieel en economisch recht

Deze tekst geldt sinds 1 maart 1949

1. De jaarlijkse aflossing zal geschieden op 1 November, voor de eerste maal op 1 November 1949, telkens naar de stand aan het begin van de dienst op 1 October daaraan voorafgaande, en wel in: 1949 4/133 1960 4/89 1971 4/45 1950 4/129 1961 4/85 1972 4/41 1951 4/125 1962 4/81 1973 4/37 1952 4/121 1963 4/77 1974 4/33 1953 4/117 1964 4/73 1975 4/29 1954 4/113 1965 4/69 1976 4/25 1955 4/109 1966 4/65 1977 4/21 1956 4/105 1967 4/61 1978 4/17 1957 4/101 1968 4/57 1979 4/13 1958 4/ 97 1969 4/53 1980 4/ 9 1959 4/ 93 1970 4/49 1981 4/ 5 1982 het restant, met dien verstande, dat op de aflossing op 1 November 1949 in mindering wordt gebracht het bedrag der tussen 1 Maart en 30 September 1949 voor zekerheidstellingen en heffingen in betaling gegeven schuld en op de aflossing op 1 November 1950 hetgeen uit dezen hoofde in betaling is gegeven tussen 1 October 1949 en 30 September 1950. 2. Indien in enig jaar het af te lossen bedrag, als in lid 1 aangegeven, verhoogd met de schuld, die in het aan de aflossing voorafgaande tijdvak van 1 October tot 30 September wegens betaling van zekerheidstellingen en heffingen is gedelgd, lager zou zijn dan 1/47ste deel van het op 1 maart 1949 uitstaande restant der schuld, zal het dermate worden verhoogd, dat, met inbegrip van de delging door belastingbetaling, ten minste genoemd 1/47ste deel wordt gedelgd. De bevoegdheid tot versterkte delging blijft gehandhaafd.

Rechtspraak bij dit artikel