1. 1. Lid of plaatsvervangend lid van het bestuur van een bedrijfslichaam kunnen alleen zijn zij die niet van de verkiesbaarheid bij krachtens wettelijk voorschrift uitgeschreven verkiezingen zijn ontzet, noch van de uitoefening van het kiesrecht bij zodanige verkiezingen zijn uitgesloten.
  2. 2. De artikelen 5, tweede lid, 6, 7 en 10 zijn ten deze van overeenkomstige toepassing.