1. 1. De artikelen 20 tot en met 25 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het bestuur en het dagelijks bestuur.
  2. 2. De artikelen 26 en 27 zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van het bestuur en het dagelijks bestuur, behoudens het bepaalde in artikel 90.
  3. 3. De voorzitter heeft, indien hij niet lid van het bestuur is, in de vergaderingen van het bestuur en het dagelijks bestuur alleen een raadgevende stem.