1. 1. Eenmaal per jaar vindt ambtshalve uitbetaling van de vakantie-uitkering plaats.
  2. 2. De in het vorige lid bedoelde uitbetaling vindt plaats in de maand mei en omvat de vakantie-uitkering, waarop recht bestond over de periode van twaalf maanden, voorafgaande aan de maand mei.
  3. 3. De vakantie-uitkering wordt betaald zonder dat dit bij beschikking is vastgesteld.