- **1.** Het in artikel 629, tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek genoemde tijdvak van zes weken, blijft van toepassing op de werknemer:
- - **a.** die doorgaans op minder dan vier dagen per week uitsluitend of nagenoeg uitsluitend diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijk persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat als bedoeld in artikel 629, tweede lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde op de dag voor het tijdstip van inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel B, van de Wet aanpassing regeling dienstverlening aan huis; en
- - **b.** wiens eerste dag van ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte is gelegen voor het tijdstip, bedoeld in onderdeel a.
- **2.** Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b, worden perioden van ongeschiktheid tot werken geacht eenzelfde, niet onderbroken periode van ongeschiktheid te vormen, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. Bij de vaststelling van de periode van vier weken blijven perioden waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof is genoten overeenkomstig artikel 3:1, tweede en derde lid, van de Wet arbeid en zorg, buiten beschouwing.
Terug naar versiegeschiedenis
Versie 2
Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek
+3 toegevoegd
Toegevoegde artikelen
Via Stb. 2026, 306
- **1.** Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van artikel I, onderdelen D, E, F en Q, van de Wet meer zekerheid flexwerkers een arbeidsovereenkomst bestaat die kwalificeert als oproepovereenkomst als bedoeld in artikel 628a, negende en tiende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan dat tijdstip, geldt deze arbeidsovereenkomst met ingang van datzelfde tijdstip als een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 628ab, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, tenzij op het tijdstip van inwerkingtreding:
- - **a.** het op grond van de artikelen 628ac, vijfde, zevende of negende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek in samenhang gelezen met het eerste lid van dat artikel, dan wel artikel 691, zevende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, is toegestaan om af te wijken van artikel 628, eerste lid, of 628aa, eerste of tweede lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; of
- - **b.** de arbeidsovereenkomst voldoet aan de voorwaarden van artikel 628ab, eerste lid en tweede lid, onderdeel a, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.
- **2.** Voor arbeidsovereenkomsten die op grond van het eerste lid komen te gelden als arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 628ab van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, doet de werkgever voor de toepassing van artikel 628ab, vijfde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, voor het eerst een aanbod 12 maanden na het tijdstip van inwerkingtreding van de in het eerste lid genoemde onderdelen.
- **3.** Bij toepassing van het eerste lid geldt dat de minimale arbeidsomvang gelijk is aan de gemiddelde omvang van de verrichtte arbeid in de 12 voorafgaande maanden of, indien de arbeidsovereenkomst korter heeft geduurd dan een tijdvak van 12 maanden, dan is de minimale arbeidsomvang gelijk aan het aantal uur verrichtte arbeid gemiddeld over de oorspronkelijk overeengekomen resterende duur van de arbeidsovereenkomst.
Voor de berekening van de periode van 12 maanden, bedoeld in de vorige zin, worden arbeidsovereenkomsten, die elkaar met tussenpozen van ten hoogste zes maanden hebben opgevolgd, samengeteld.
- **4.** De artikelen 667, vierde lid, 668a, eerste lid, en 691, vierde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals die luidden onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel M, onderdeel N, subonderdeel 1, en onderdeel Q, subonderdelen 3 en 5, van de Wet meer zekerheid flexwerkers in werking treden, blijven van toepassing op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd respectievelijk uitzendovereenkomsten voor bepaalde tijd die zijn aangegaan voorafgaand aan dit tijdstip.
- **5.** Artikel 668a, eerste, vijfde en zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel N, subonderdelen 2 en 3, van de Wet meer zekerheid flexwerkers in werking treedt, blijft van toepassing op een op dat moment geldende collectieve arbeidsovereenkomst of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan waarin aan artikel 668a, vijfde of zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, toepassing is gegeven voor zover het arbeidsovereenkomsten betreft waarop deze op dat moment van toepassing was, voor de duur van de looptijd van de collectieve arbeidsovereenkomst of regeling, maar ten hoogste gedurende twaalf maanden na die inwerkingtreding.
- **6.** Artikel 691, achtste lid, onderdeel c, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat luidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip waarop artikel I, onderdeel Q, subonderdeel 5, van de Wet meer zekerheid flexwerkers in werking treedt, blijft van toepassing op uitzendovereenkomsten voor bepaalde tijd die zijn aangegaan voorafgaand aan dit tijdstip.
Via Stb. 2026, 205
- **1.** Voor de werknemer die diensten verricht ten behoeve van het huishouden van de natuurlijke persoon tot wie hij in dienstbetrekking staat in de gevallen dat de diensten worden betaald uit een Zvw-pgb als bedoeld in artikel 13a van de Zorgverzekeringswet, of een persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 3.3.3 van de Wet langdurige zorg, artikel 2.3.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of artikel 8.1.1 van de Jeugdwet blijft, tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, gelden dat:
- - **a.** artikel 228, lid 1, niet van toepassing is;
- - **b.** artikel 628ab van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is;
- - **c.** artikel 628ac, leden 5 tot en met 9, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek van overeenkomstige toepassing is; en
- - **d.** voor de toepassing van artikel 667, vierde lid, en 668a, eerste lid, voor «36 maanden» wordt gelezen «zes maanden».
- **2.** Het bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, bedoeld in het eerste lid, is niet eerder dan 2030.
- **3.** De voordracht voor het koninklijk besluit als bedoeld in het eerste lid wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal is overgelegd. Indien de Tweede Kamer der Staten-Generaal besluit niet in te stemmen met het ontwerp, wordt geen voordracht gedaan en kan niet eerder dan zes weken na dat besluit een nieuw ontwerp aan de Tweede Kamer worden overgelegd.
Via Stb. 2026, 205