Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7 › § 3

Artikel 211

Reddingboeien

Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 30 december 1997

1. Een reddingboei moet aan de volgende eisen voldoen: hij moet een uitwendige middellijn hebben van niet meer dan 800 mm en een inwendige middellijn van niet minder dan 400 mm; hij moet zijn vervaardigd van zelfopdrijvend materiaal dat niet bestaat uit biezen, kurkafval, kurkkorrels of enige andere korrelige stof zonder samenhang, noch uit een luchtkast waarbij het drijfvermogen afhankelijk is van opblazen; hij moet in staat zijn om ten minste 14,5 kg ijzer gedurende 24 uur in zoet water te kunnen dragen; hij moet een massa van ten minste 4,5 kg hebben; hij mag niet blijven branden of doorgaan met smelten indien hij niet langer dan 2 seconden volledig in vuur gehuld is geweest; hij moet zo zijn vervaardigd dat een val vanaf een hoogte van 30 m in het water wordt doorstaan, zonder dat de gebruiksmogelijkheden of de er aan bevestigde onderdelen worden aangetast. Indien de plaats waar de boei is geplaatst, meer dan 30 m boven de laagst gelegen lastlijn van het vaartuig in zeewater is gelegen, dient de boei een val vanaf die hoogte te kunnen doorstaan; en hij moet zijn voorzien van een grijplijn die een doorsnede heeft van ten minste 9,5 mm en een lengte van ten minste 4 maal de uitwendige middellijn van de boei. De grijplijn moet op vier, op onderling gelijke afstand liggende, punten op de omtrek van de boei zijn bevestigd en wel zodanig dat vier gelijke bochten worden gevormd. 2. Een zelfontbrandend licht als voorgeschreven in artikel 198, vierde lid, moet voldoen aan de volgende eisen: het moet zo zijn vervaardigd, dat het niet door water kan worden gedoofd; het moet onafgebroken in alle richtingen boven de horizon kunnen branden met een lichtsterkte van ten minste 2 cd, of flikkerlicht kunnen geven met een frequentie van ten minste 50 flikkeringen per minuut en met een doeltreffende lichtsterkte van ten minste 2 cd; het moet zijn voorzien van een zodanige krachtbron dat gedurende ten minste 2 uur kan worden voldaan aan het bepaalde onder 2; en het moet een valproef als bedoeld in het eerste lid, onder 6, kunnen doorstaan. 3. Een zelfwerkend rooksignaal als voorgeschreven in artikel 198, vierde lid, moet voldoen aan de volgende eisen: het moet drijvend in kalm water, gedurende ten minste 15 minuten rook van een goed zichtbare kleur met gelijkmatige snelheid kunnen afgeven; het mag niet explosief ontsteken en geen vlammen afgeven gedurende de gehele periode van rookafgifte; het mag tijdens zeegang niet vollopen met water; het moet tevens rook afgeven tijdens en na een 10 seconden durende volledige onderdompeling, 100 mm diep in water; en het moet een valproef als bedoeld in het eerste lid, onder 6, kunnen doorstaan. 4. Een drijvende lijn als voorgeschreven in artikel 198, derde lid, moet voldoen aan de volgende eisen: zij mag niet kinken; zij moet een doorsnede hebben van ten minste 8 mm; en zij moet een breeksterkte hebben van niet minder dan 5 kN.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel