Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 7 › § 3

Artikel 212

Reddinggordels

Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 30 december 1997

1. Een reddinggordel mag niet blijven branden of doorgaan met smelten indien hij niet langer dan 2 seconden volledig in vuur gehuld is geweest. 2. Een reddinggordel moet zo zijn vervaardigd dat: hij, na instructie, binnen 1 minuut op de juiste wijze en zonder hulp van anderen kan worden aangedaan; hij binnenste buiten kan worden gedragen of zeer duidelijk uitsluitend op één manier kan worden aangedaan; voor zover mogelijk moet de reddinggordel zo zijn vervaardigd dat hij niet op een niet-correcte manier kan worden aangedaan of vastgemaakt; hij gemakkelijk zit; en hij de drager in staat stelt van een hoogte van ten minste 4,5 m in het water te springen zonder letsel op te lopen en zonder dat daarbij de reddinggordel losraakt of beschadigt. 3. Een reddinggordel moet voldoende drijfvermogen en stabiliteit in kalm, zoet water hebben om: de mond van een uitgeput of bewusteloos persoon ten minste 120 mm boven water te houden, met het lichaam achterover hellend in het water onder een hoek van niet minder dan 20 graden en niet meer dan 50 graden ten opzichte van de vertikale positie; en het lichaam van een bewusteloze persoon uit iedere stand in het water zo te wentelen dat de mond in niet meer dan 5 seconden vrij van het water komt. 4. Een reddinggordel moet een drijfvermogen hebben dat niet meer dan 5 percent afneemt na onderdompeling in zoet water gedurende 24 uur. 5. Een reddinggordel moet de drager in staat stellen een korte afstand ermee te zwemmen en in een groepsreddingmiddel te klimmen. 6. Een reddinggordel moet zijn voorzien van een signaalfluit, stevig met een koord eraan bevestigd, en van een licht dat voldoet aan het bepaalde in het achtste lid. 7. Een reddinggordel waarvan het drijfvermogen afhankelijk is van opblazen, moet niet minder dan twee gescheiden compartimenten hebben en moet, in aanvulling op het bepaalde in het eerste tot en met het zesde lid, tevens voldoen aan de volgende eisen: hij moet automatisch opblazen bij onderdompeling, voorzien zijn van een middel waarbij het opblazen met een eenvoudige handeling kan geschieden, en met de mond kunnen worden opgeblazen; hij moet, ook bij verlies van drijfvermogen in een van de compartimenten, voldoen aan het bepaalde in de het tweede, derde en vijfde lid; en hij moet voldoen aan het bepaalde in het vierde lid, nadat de reddinggordel automatisch is opgeblazen. 8. Een licht voor een reddinggordel moet voldoen aan de volgende eisen: het moet een lichtsterkte hebben van ten minste 0,75 cd; het moet zijn voorzien van een zodanige krachtbron dat een lichtsterkte van 0,75 cd kan worden geleverd gedurende een periode van ten minste 8 uur; en het moet zichtbaar zijn over een zo groot mogelijk gedeelte boven de horizon als praktisch uitvoerbaar is wanneer het licht bevestigd is aan de reddinggordel. 9. Indien het licht als genoemd in het achtste lid een flikkerlicht is, moet het bovendien voldoen aan de volgende eisen: het moet zijn voorzien van een met de hand bedienbare schakelaar; het mag niet zijn uitgerust met een lens of gebogen reflector om de straal te bundelen; en het moet flikkerlicht kunnen geven met een frequentie van ten minste 50 flikkeringen per minuut met een doelmatige lichtsterkte van ten minste 0,75 cd.

Rechtspraak bij dit artikel