Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 13 › § 2

Artikel 316

Algemene eisen

Onderdeel van Vissersvaartuigenbesluit· Vervoersrecht

Deze tekst geldt sinds 30 december 1997

1. Voor de toepassing van deze paragraaf en van artikel 156, derde lid, artikel 179, achtste lid, artikel 188, vierde lid, artikel 290 en artikel 338 wordt onder lading verstaan: de vangst en de middelen voor de verwerking en de conservering van die vangst. Het vervoer van goederen anders dan die genoemd in dit lid, is verboden. In bijzondere gevallen echter kan het Hoofd van de Scheepvaartinspectie, onder nader door hem te stellen regels, toestaan dat een vaartuig vis vervoert die niet tot de vangst behoort. 2. Het beladen en het stuwen moeten voldoen aan de eisen van goede zeemanschap opdat de lading of een gedeelte daarvan niet levendig kan worden. De belading moet zodanig zijn dat zeker is dat de stabiliteit gedurende de reis te allen tijde voldoende is en dat wordt voorkomen dat onaanvaardbare spanningen in de scheepsconstructie optreden. 3. Een vaartuig dat zonder lading of met weinig lading naar zee gaat, moet zonodig voldoende, goed in het vaartuig geplaatste en doelmatige ballast aan boord hebben. Ballast die zou kunnen overgaan, moet hiertegen op afdoende wijze zijn verzekerd. Ten aanzien van de stabiliteit en van de spanningen in de scheepsconstructie dient daarbij rekening te worden gehouden met het bepaalde in het tweede lid.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel