1. 1. Bij tram/buslichten betekent:
    • - a. wit licht of wit knipperlicht: doorgaan;
    • - b. geel licht: stop; voor bestuurders die het licht zo dicht genaderd zijn dat stoppen redelijkerwijs niet meer mogelijk is: doorgaan;
    • - c. rood licht: stop.
  2. 2. Het witte licht en het witte knipperlicht gelden slechts voor de aangegeven richtingen.
  3. 3. De tram/buslichten gelden voor bestuurders van een tram en van een lijnbus, die de richting volgen waarop het licht betrekking heeft.
  4. 4. De tram/buslichten gelden tevens voor bestuurders van voertuigen, niet zijnde een lijnbus, die een busbaan of een busstrook gebruiken waarop het licht betrekking heeft.