Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Artikel 1

Onderdeel van Rijkswet houdende regels betreffende de rechtspositie van enige militair-rechterlijke ambtenaren· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 10 oktober 2010

1. Aan de leden van de gewone rechterlijke macht en de leden van het openbaar ministerie bij de gewone rechterlijke macht in Nederland, in Aruba, in Curaçao, in Sint Maarten en in de openbare lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba die op grond van de Wet van 3 april 1968 (Stb. 180), houdende regeling van de bezoldiging van de militair-rechterlijke ambtenaren, een salarisvermeerdering hebben genoten tot het tijdstip waarop die wet buiten werking treedt, wordt met ingang van dat tijdstip per maand een salarisvermeerdering toegekend, gelijk aan de salarisvermeerdering die de betrokkenen op grond van die wet zouden hebben genoten. 2. Indien de bezoldiging van de in het eerste lid bedoelde personen op of na het tijdstip waarop de in dat lid bedoelde wet buiten werking treedt, wordt verhoogd als gevolg van de aanvaarding van een hoger bezoldigde functie binnen de rechterlijke macht, dan wel als gevolg van een salarisvermeerdering als bedoeld in de artikelen 3 en 5 van de Wet op de bezoldiging van de rechterlijke ambtenaren (Stb. 1972, 464), wordt het verschil in bezoldiging verrekend met de salarisvermeerdering die deze personen op grond van het eerste lid ontvangen. Deze verrekening geschiedt aldus, dat de laatstbedoelde salarisvermeerdering vervalt indien het verschil gelijk is aan of groter is dan deze salarisvermeerdering en dat de salarisvermeerdering wordt verminderd met het verschil, indien dit kleiner is dan deze salarisvermeerdering. Treedt in werking om 00:00 uur in Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba en om 06.00 uur in het Europese deel van het Koninkrijk.

Rechtspraak bij dit artikel