Onder een ‘spin-off’ dient te worden verstaan de uitreiking van aandelen in één of meer dochtervennootschappen door de moedermaatschappij als dividend aan haar aandeelhouders. Te dezen is in beginsel sprake van een dividend in natura dat als zodanig integraal in de belastingheffing dient te worden betrokken. Immers de moedervennootschap zal deze uitkering doorgaans ten laste van de winstreserves of lopende winst boeken. Dit dividend wordt in de heffing betrokken naar de waarde in het economische verkeer, zijnde de waarde van de aandelen in de dochtervennootschap. Het vorenstaande lijdt uitzondering indien sprake is van een terugbetaling van kapitaal van de moedervennootschap en tevens voldaan is aan de eisen van artikel 29, tweede lid, van de Wet. Ingeval van een buitenlandse vennootschap zal hier veelal niet aan zijn voldaan.
Als bezwaar tegen een dergelijke heffing wordt doorgaans aangevoerd, dat de aandeelhouder door deze dividenduitkering niet meer in handen krijgt dan hij vóór de dividenduitkering reeds bezat. Dit is echter geen reden, net zo min als bij bonusaandelen, om de heffing van dividend- en inkomstenbelasting achterwege te laten. Door de uitkering ten last van de winstreserves van de moedervennootschap dreigt een deel van de inkomstenbelastingclaim over deze reserves verloren te gaan.
Een mogelijk gevolg van deze dividenduitkering kan zijn dat er in de toekomst dubbele heffing zal plaatsvinden, nl. over de winstreserves in de dochtervennootschap ten tijde van afsplitsing. Dit is een gevolg van de sfeerovergang van deze aandelen. De aandelen in de dochtervennootschap bevonden zich eerst in het ondernemingsvermogen (van de moedervennootschap) en kunnen nu zijn terechtgekomen in het privé-vermogen van een aandeelhouder-natuurlijk persoon. Het zich daadwerkelijk voordoen van deze dubbele heffing alsmede de hoogte daarvan is niet zeker. In de eerste plaats is van belang of deze aandelen zich in een verder verleden niet in de particuliere sfeer hebben bevonden. In een dergelijk geval heeft er al eerder en sfeerovergang plaatsgevonden waarbij een inkomstenbelastingclaim teniet kan zijn gegaan. In de tweede plaats is niet zeker of in de toekomst de aandelen niet wederom tot een ondernemingsvermogen gaan behoren (een nieuwe sfeerovergang), bij voorbeeld door verkoop aan een rechtspersoon.
Verzoeken om een afwijkende behandeling van ‘spin-off’s’ worden door mij afgewezen. Het maakt hierbij niet uit of de ‘spin-off’ van overheidswege wordt opgelegd. Ook de hiervoor genoemde mogelijke dubbele heffing is voor mij, mede gelet op onzekerheid ten aanzien van zowel de hoogte als het zich daadwerkelijk voordoen, geen aanleiding om een afwijkende behandeling toe te staan.
Artikel 3
Afsplitsing van dochtervennootschappen
Onderdeel van Splitsing van aandelen ‘Spin off’· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 12 oktober 1994