Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Inleiding

Onderdeel van Nevenfunctie-circulaire 1995· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 16 maart 1995

In verband met de naderende verkiezingen van de provinciale staten op 8 maart a.s. informeer ik u hierbij over het beleid ten aanzien van de melding, openbaarmaking en vergoeding voor werkzaamheden in het kader van nevenfuncties door commissarissen van de Koningin, gedeputeerden en statenleden. In de brief van 18 februari 1994 (nr. BW94/U336-BK94/479) van de toenmalige staatssecretaris van Binnenlandse Zaken is deze circulaire U reeds toegezegd. De noodzaak voor deze circulaire is gelegen in het feit dat een aantal nieuwe artikelen ter zake in de Provinciewet per 1 januari 1994 is opgenomen en anderzijds uit het vervallen per medio 1992 van de circulaire van 25 juli 1988 (B88/U524) met betrekking tot melding en openbaarmaking van nevenfuncties van personen die een openbaar ambt vervullen. Hierdoor kan bij bestuurders onduidelijkheid ontstaan over hoe ten aanzien van nevenfuncties gehandeld dient te worden. De tekst van de circulaire is zowel gebaseerd op de circulaire van 18 februari 1994 die aan de gemeenten is gezonden, als op praktijkvoorbeelden, zoals deze zich hebben voorgedaan in gemeenten sinds de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar. De circulaire is als volgt opgebouwd. In paragraaf 2 worden de bepalingen uit de Provinciewet ten aanzien van de melding, openbaarmaking en vergoeding voor werkzaamheden van nevenfuncties vermeld, alsmede de bepalingen ter zake uit de Wet gemeenschap- pelijke regelingen (Wgr). In paragraaf 3 ga ik in op het vervullen van nevenfuncties door bestuurders. Voor zover er ten aanzien van de commissaris van de Koningin, de gedeputeerden en de statenleden gemeenschappelijke, overeenkomstige bepalingen gelden, worden die in algemene, samenvattende zin behandeld. In onderdeel 2 van paragraaf 3 wordt nader ingegaan op de melding en de openbaarmaking van deze functies. In onderdeel 3 wordt aandacht besteed aan de reikwijdte van het begrip nevenfuncties die uit hoofde van het ambt worden vervuld, de zgn. qualitate-qua nevenfuncties (verder aangeduid als q.q.-nevenfuncties). De onderdelen 4 en 5 van paragraaf 3 gaan in op de bepalingen die van toepassing zijn op het al dan niet kunnen behouden van vergoedingen voor nevenfuncties en op de werking van artikel 21 Wgr. De fiscale aspecten en het tijdstip van inwerkingtreding van de stortingsplicht van commissarissen van de Koningin en gedeputeerden komen in de onderdelen 6 en 7 van paragraaf 3 aan de orde.

Rechtspraak bij dit artikel