Naar hoofdinhoud

Artikel 4

Herkapitalisatie bij afgesplitste kasgeldvennootschappen

Onderdeel van Herziening besluit inzake overdracht van aandelen in het kader van een kasgeld- c.q. holdingconstructie· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 14 augustus 1995

Zowel in mijn brief aan de Voorzitter van de Vaste Commissie voor Financiën uit de Tweede Kamer van 7 november 1991, WDB91/151, V-N 1991, blz. 3235, als in de literatuur is aandacht besteed aan herkapitalisatie bij kasgeldvennootschappen. In het bijzonder is gewezen op de mogelijkheid om vóórafgaande aan de verkoop van de aandelen van de kasgeldvennootschap over te gaan tot een gefacilieerde herkapitalisatie op de voet van artikel 58 van de Wet. Door de verhoging van het gemiddeld op desbetreffende aandelen gestorte kapitaal wordt het effectieve heffingspercentage voor de particuliere aandeelhouder aanzienlijk verlaagd. Indien het samenstel van rechtshandelingen daartoe aanleiding geeft, dient het standpunt te worden ingenomen dat de verhoging van het gemiddeld op die aandelen gestorte kapitaal wordt genegeerd; de op grond van artikel 58 van de Wet plaats gevonden hebbende herkapitalisatie wordt echter niet aangetast. De inspecteur dient met behulp van het leerstuk van de wetsontduiking deze constructie te bestrijden, aangezien in zo’n situatie geen enkel zakelijk belang is gediend met dit samenstel van rechtshandelingen. Het arrest Hoge Raad 22 november 1989, rolnr. 25 493, BNB 1994/162, ondersteunt deze bestrijdingswijze. Vindt bestrijding op deze wijze plaats, dan brengt een redelijke toepassing van het leerstuk van de wetsontduiking met zich mee dat de ter zake van de inkomsten uit vermogen verschuldigde inkomstenbelasting wordt verminderd met de verschuldigde inkomstenbelasting ter zake van de herkapitalisatie.

Rechtspraak bij dit artikel