Bij de parlementaire behandeling van de Wet van 10 september 1992, Stb. 491, is uitvoerig aandacht besteed aan de mogelijkheid dat aandelen in een zogenoemde kasgeldvennootschap worden betrokken bij een aandelenfusie of een juridische fusie. Ingevolge het bepaalde in artikel 14b respectievelijk artikel 68a van de Wet dient een dergelijk fusieverzoek – nu geen sprake is van een fusie waarbij twee of meer ondernemingen in de zin van artikel 6 van de Wet zijn betrokken – aan mij te worden voorgelegd. Ik heb tijdens de parlementaire behandeling het standpunt ingenomen dat bij een fusie waarbij een kasgeldvennootschap is betrokken geen faciliteit zal worden verleend. Naar mijn oordeel wordt een dergelijk fusieverzoek uitsluitend dan wel in volstrekt overwegende mate ingegeven door de wens de belastingheffing te verijdelen c.q. verder uit te stellen. Wellicht ten overvloede wijs ik in dit verband op het bepaalde in de aanhef van alsmede op het bepaalde in artikel 11 van de zogenoemde fusierichtlijn (Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990). Gevallen waarin een kasgeldvennootschap bij één van de hiervóór vermelde fusievormen is betrokken dienen ter kennis te worden gebracht van de Directie Directe Belastingen (zie het besluit inzake juridische fusie van 1 augustus 1994, DB94/2107, nr. 1.52.53 onderdeel 3, BNB 1994/284).
Artikel 5
Implementatie van de fusierichtlijn
Onderdeel van Herziening besluit inzake overdracht van aandelen in het kader van een kasgeld- c.q. holdingconstructie· Belastingrecht
Deze tekst geldt sinds 14 augustus 1995