Naar hoofdinhoud

Artikel 8

Ondernemings-eis

Onderdeel van Herziening besluit inzake overdracht van aandelen in het kader van een kasgeld- c.q. holdingconstructie· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 14 augustus 1995

In deze aanschrijving wordt eenvoudshalve steeds gesproken over (het behoud van belang bij) de onderneming van de vennootschap. De Hoge Raad heeft in het arrest BNB 1994/87c* bepaald dat de werking van de kasgeld- en holdingarresten niet is beperkt tot gevallen waarin het belang is behouden bij een onderneming in de zin van artikel 6 van de Wet. De werking van de arresten kan zich naar mijn oordeel in beginsel uitstrekken tot ieder geval waarin het belang bij een in de vennootschap ontwikkelde activiteit – die als zogenoemde ‘winstgenerator’ fungeert – geheel of nagenoeg geheel behouden blijft, mits de behouden activiteiten tezamen 10% of meer bedragen van het totale eigen vermogen van de verkochte vennootschap. Bij het begrip ‘activiteit’ kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat uitsluitend sprake is van beleggen, bijvoorbeeld in onroerende zaken of effecten of aan de situatie dat slechts liquide middelen aanwezig zijn of een rekening-courantvordering op bijvoorbeeld de directeur-grootaandeelhouder wordt aangehouden. De rechtspraak dient hier naar mijn oordeel meer duidelijkheid te verschaffen. Voor zover nodig keur ik evenwel goed dat het kasgeld- en holdingbeleid in dit kader niet van toepassing is in de situatie dat alle activiteiten volledig worden overgedragen aan onafhankelijke derden en de vordering in rekening-courant – die boven de 10%-grens uitkomt – teniet gaat bij de verkoop van de BV.

Rechtspraak bij dit artikel