Wanneer een gemeente nu bevoegd is om het voorkeursrecht als zodanig te vestigen kan zij dat recht in concreto toepassen op haar gehele grondgebied mits daarbij voldaan wordt aan twee criteria:
aan de betrokken gronden mag geen agrarische bestemming zijn toegedacht;
het gebruik van de betrokken gronden moet afwijken van de bestemming.
Het beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan vergt een planologische grondslag, te weten een bestemmingsplan of een structuurplan waarbij aanwijzingen zijn gegeven omtrent de bestemming.
Artikel 1 geeft aan dat onder structuurplan voortaan ook een regionaal structuurplan als bedoeld in artikel 36c van de Wet op de Ruimtelijke Ordening wordt begrepen; een dergelijk regionaal structuurplan kan de grondslag vormen voor een aanwijzing die dan door de bij de onderliggende grond betrokken gemeentebestuur tot stand moet komen.
Vervallen is het vereiste dat een voorkeursrecht gevestigd op grondslag van een structuurplan te voren door gedeputeerde staten moet worden goedgekeurd.
Artikel 3
Toepassing van het voorkeursrecht, criteria artikel 2
Onderdeel van Wijziging Wet voorkeursrecht gemeenten· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 25 september 1996