Naar hoofdinhoud

Artikel B

Inpassing in nieuwe salarisschalenstructuur per 1 januari 1997

Onderdeel van Herziening beloningsbeleid sector Rijk per 1-1-1997· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 1997

De herziening van het beloningsbeleid gaat gepaard met een herstructurering van de salarisschalen van het BBRA 1984. Daarbij wordt tevens de zogenaamde vakvolwassenleeftijd verlaagd van 22 jaar tot 21 jaar en wordt de wachttijd van de diensttijduitlopen in de schalen 1 tot en met 5 beperkt tot telkens één jaar. De bestaande staffelingsaftrek voor de bepaling van de jeugdsalarissen die thans 10% per leeftijdsjaar bedraagt, wordt aangepast. Voor een 20-jarige wordt de aftrek 15%, voor een 19-jarige 25%, voor een 18-jarige 35% en voor de ambtenaar die jonger is dan 18 jaar 45%. Volledigheidshalve merk ik hierbij op dat de verlaging van de vakvolwassenleeftijd en de aanscherping van de staffelingsaftrek ook wordt toegepast ten aanzien van de jeugdigen die in aanmerking komen voor het minimumbedrag van de vakantie-uitkering. Als bijlage II voeg ik een overzicht van de geherstructureerde salarisschalen bij. Vooruitlopend op de totstandkoming van bedoelde algemene maatregel van bestuur geef ik hieronder aan hoe de inpassing van de reeds in dienst zijnde personeelsleden in de nieuwe schalenstructuur zal plaatsvinden. Tengevolge van de herstructurering zal voor de ambtenaar niet een andere schaal komen te gelden dan reeds voor hem gold of zou gaan gelden per 1 januari 1997. Bepalend voor de inpassing is het salaris dat voor de betrokkene in de voor hem van toepassing zijnde salarisschaal zou gelden per 1 januari 1997 indien niet van een herstructurering sprake zou zijn. Uitgaande van dat salarisbedrag vindt de inpassing in de nieuwe salarisschaal plaats op het in die nieuwe schaal voorkomende gelijke salarisbedrag. Komt in de nieuwe salarisschaal niet zo’n gelijk salarisbedrag voor, dan wordt betrokkene in de nieuwe schaal ingepast op het daaraan naasthogere bedrag. Op deze algemene inpassingsregel zijn enkele uitzonderingen. Degenen die, zonder herstructurering, per 1 januari 1997 salarisnummer 1 uit de schalen 6 of 7 zouden bereiken, worden in de nieuwe structuur niet ingepast in salarisnummer 0 maar in salarisnummer 1. De bij deze circulaire gevoegde bijlage III bevat per salarisschaal een schematisch overzicht van de inpassingen. In een relatief groot aantal gevallen gaat de inpassing in de nieuwe schalen gepaard met een aanpassing van het salarisnummer. In het als bijlage III bijgevoegde schematisch overzicht is in de laatste kolom aangegeven of zo’n aanpassing plaatsvindt. Deze aanpassing laat het tijdstip waarop de volgende periodieke salarisverhoging binnen de schaal kan worden verleend (de zogenaamde periodiekdatum) onverlet, behalve in een paar gevallen. Voor degenen, die per 1 januari 1997 worden ingepast in salarisnummer 1 van schaal 5, en salarisnummer 2 van de schalen 6 en 7 (nieuwe structuur) wordt de datum waarop de eerstvolgende periodieke verhoging kan worden toegekend, collectief met 6 maanden vervroegd. Dit betekent dat zij in 1997 de eerstvolgende jaarlijkse verhoging een half jaar eerder verkrijgen, echter nooit eerder dan 1 januari 1997. Bij de schalen bij 14, 15 en 16 kan zich de situatie voordoen dat thans (eventueel al verscheidene jaren) het maximumsalaris wordt genoten en de ambtenaar na de inpassing in de geherstructureerde schaal nog een periodieke verhoging kan verkrijgen. Als regel zal die volgende periodieke verhoging, waarbij dan het maximumsalaris van de schaal wordt verkregen, een half jaar na de herstructurering plaatsvinden, dus per 1 juli 1997. In deze gevallen zal dan – tenzij de periodiekdatum reeds op 1 juli ligt – wel sprake zijn van een wijziging van de periodiekdatum. Ik wijs erop dat vorenstaande regels met betrekking tot een eerstvolgende periodieke salarisverhoging onverlet laat dat het management in het kader van bewust belonen hiervan in individuele gevallen in positieve zin kan afwijken met gebruikmaking van artikel 7, tweede lid, van het BBRA. De mogelijkheid van toepassing van dit artikellid is per 1 januari 1997 verruimd (extra salarisverhoging kan ook worden toegekend indien het bevoegd gezag meent dat daartoe aanleiding is op andere gronden dan het functioneren). De ambtenaren die met ingang van 1 januari 1997 worden ingepast op een gelijk salarisbedrag dan wel op een bedrag dat maximaal 7 gulden bruto per maand meer bedraagt dan hetgeen zij zouden genieten indien er geen herstructurering zou hebben plaatsgevonden, komen in aanmerking voor een uitkering-ineens ter grootte van f 250,00. Deze uitkering wordt naar evenredigheid lager vastgesteld indien de ambtenaar een deeltijd-betrekking vervult. Ook indien sprake is van een nevenbetrekking, welke herleidbaar is tot een deeltijdbetrekking, vindt zo’n evenredige verlaging plaats. Voorts wordt de uitkering naar evenredigheid lager vastgesteld voor degenen die wegens bijzondere omstandigheden, zoals ouderschapsverlof, buitengewoon verlof, verlof in verband met ziekte of schorsing, slechts een deel van hun salaris genieten. De uitkering-ineens zal in de maand januari 1997 worden uitbetaald. Deze uitkering is geen bezoldiging in de zin van het BBRA 1984. Dit betekent bijvoorbeeld dat deze uitkering niet meetelt voor de berekening van de vakantie-uitkering en de eindejaarsuitkering. Ook werkt deze uitkering-ineens niet door in de berekeningsgrondslag voor uitkeringen na ontslag zoals VUT-uitkering, wachtgeld, enz. De uitkering-ineens zal op de salarisspecificatie worden vermeld onder de titel ’conversietoeslag’. Ik verzoek u met het vorenstaande rekening te houden, daaraan voor zover nodig uitvoering te geven, en – indien van toepassing – betrokkenen tijdig van de voor hen van belang zijnde maatregelen in kennis te stellen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel