Met ingang van 1 januari 1997 zal de ruimte voor het management om binnen de BBRA-schalen in individuele gevallen beloningsbeslissingen te kunnen nemen, worden vergroot. Het criterium voor de toekenning van salaris zal naast de zwaarte van de functie de wijze van functioneren zijn. Deze herziening vereist een wijziging van het BBRA 1984. Voor een overzicht van de voorgenomen wijzigingen verwijs ik u naar de bijlage I. Zodra de desbetreffende algemene maatregel van bestuur tot stand is gekomen, zal ik u daarvan in kennis stellen. Vooruitlopend daarop deel ik u thans het volgende mee.
Voorgenomen wijzigingen van het BBRA 1984:
De wijziging van de eerste drie leden van dit artikel betreft een nadere formulering van de eisen waaraan de ambtenaar moet voldoen om in aanmerking te komen voor een verhoging van het salaris binnen de voor hem geldende salarisschaal. Op grond van het nieuwe eerste lid kan het salaris van de ambtenaar op basis van een in het algemeen jaarlijks door het bevoegd gezag te nemen beslissing worden verhoogd tot het naasthogere salarisbedrag indien hij in voldoende mate functioneert. Het tweede lid van dit artikel gaat de mogelijkheid bieden om – eventueel naast de in het eerste lid bedoelde jaarlijkse beslissing – het salaris te verhogen tot een in de schaal voorkomend hoger bedrag (deze verhoging is dus niet als regel beperkt tot het naasthogere bedrag) indien sprake is van een in meer dan voldoende mate functioneren door de ambtenaar. Bij een en ander dient het – zoals overigens ook thans reeds het geval is – te gaan om een bewuste beloningsbeslissing van het bevoegd gezag aan de hand van zijn oordeel over de mate waarin de ambtenaar functioneert.
Nieuw bij dit tweede lid van artikel 7 is de mogelijkheid dat zo’n salarisverhoging ook kan worden verleend indien daartoe naar het oordeel van het bevoegd gezag op andere gronden, bijvoorbeeld uit hoofde van managementsoverwegingen, aanleiding bestaat.
Het derde lid van artikel 7 zal uitdrukkelijk bepalen dat salarisverhoging achterwege blijft indien de ambtenaar niet in voldoende mate functioneert.
Als meest kenmerkende onderdeel van de herziening van het beloningsbeleid wordt een nieuw artikel 8 in het BBRA 1984 ingevoegd. Dit artikel zal de mogelijkheid bieden om aan de ambtenaar die het maximumbedrag van de voor hem geldende salarisschaal heeft bereikt en naar het oordeel van het bevoegd gezag uitstekend functioneert een salaris toe te kennen dat uitgaat boven het maximumbedrag van die salarisschaal. Hierbij kan het maximumbedrag van de naasthogere salarisschaal echter niet worden overschreden. Met nadruk wordt erop gewezen dat het hier gaat om de toekenning van een salaris uit een hogere schaal, zonder dat die schaal aan de ambtenaar wordt toegekend. Dit betekent dat, ook indien niet het maximumsalaris uit de hogere schaal wordt toegekend, er geen recht bestaat op een verhoging van het salaris na ommekomst van een jaar. Met andere woorden, artikel 7, eerste lid, is op een dergelijke salarisverhoging niet van toepassing. Voor een verdere verhoging van het salaris is dan een afzonderlijke managementsbeslissing noodzakelijk. In het nieuwe artikel 8 zal overigens ook worden neergelegd dat de salarisverhoging kan worden ingetrokken indien het functioneren van de ambtenaar niet langer als uitstekend kan worden gekwalificeerd. Voor de ambtenaren voor wie schaal 18 van het BBRA 1984 geldt, zullen afzonderlijk drie salarisbedragen worden vastgesteld die – bij uitstekend functioneren – boven het maximum van de voor hen geldende schaal kunnen worden toegekend. Deze bedragen zijn per 1 januari 1997: f 14.398,00, f 14.710,00 en f 15.023,00. Ook hierbij geldt dat artikel 7, eerste lid, op een dergelijke toekenning niet van toepassing is.
In samenhang met deze wijzigingen zal artikel 12b van het BBRA 1984 zodanig worden gewijzigd, dat de daarin bedoelde functioneringstoelage niet meer kan worden toegekend aan de ambtenaar voor wie één van de achttien salarisschalen geldt. Bij de BBRA-wijziging zal in verband hiermee voor de reeds toegekende en nog voortdurende functioneringstoelagen voor deze ambtenaren een overgangsvoorziening worden getroffen. Deze voorziet erin dat de toelagen, toegekend op grond van het eerste lid van artikel 12b ook na 1 januari 1997 blijven gelden tot het moment waarop krachtens het besluit tot toekenning die toelage vervalt. Voorts wordt er daarbij in voorzien dat de toelagen, toegekend met toepassing van het tweede lid van artikel 12b ook na 1 januari 1997 blijven gelden tot het moment dat het bevoegd gezag met betrekking tot die toelage een nadere beslissing heeft genomen doch uiterlijk tot 1 januari 2000.
Artikel A
Herziening beloningsbeleid
Onderdeel van Herziening beloningsbeleid sector Rijk per 1-1-1997· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 1997