1. 1. Ten behoeve van de verdeling van het provinciefonds en het gemeentefonds worden verdeelmaatstaven gehanteerd. De maatstaven hebben slechts betrekking op de kenmerken die zijn vermeld in de navolgende tabellen A en B. Bij een kenmerk worden ten minste de in de tabellen vermelde onderscheidingen aangebracht.

    Kenmerk

    Onderscheidingen

    a

    Belastingcapaciteit van de provincies ter zake van de motorrijtuigenbelasting

    b

    Inkomsten uit eigen vermogen van de provincies

    c

    De inwoners van de provincies

    Bevolkingsdichtheid

    d

    Het grondgebied van de provincies

    Oppervlakte

    Bodemgebruik

    e

    Vaste bedragen voor de provincies

    Kenmerk

    Onderscheidingen

    a Belastingcapaciteit van de gemeenten ter zake van de onroerende-zaakbelastingen

    Belastingcapaciteit ter zake van woningen

    Belastingcapaciteit ter zake van niet-woningen

    b De inwoners van de gemeenten

    Leeftijd

    Woonplaats

    Inkomen

    Recht op uitkering

    Behoren tot een minderheidsgroep

    Beroep op voorzieningen in de gemeenten

    c Het grondgebied van de gemeenten

    Oppervlakte

    Bodemgesteldheid

    Historische kern

    d De bebouwing in de gemeenten

    Grondoppervlak bebouwing

    Woonruimten

    Historisch aantal woonruimten

    Noodzaak voor vernieuwing van de bebouwing

    Dichtheid van de bebouwing

    e Vaste bedragen voor gemeenten

    Vaste bedragen voor de vier grootste steden

    Vast bedrag voor de waddengemeenten

    Vast bedrag voor alle gemeenten

    f Tijdelijke ondersteuning van gemeenten in verband met herindeling

  2. 2. De belastingcapaciteit ter zake van woningen, bedoeld in tabel B onder a, wordt slechts voor 80% in de verdeelmaatstaf betrokken. De belastingcapaciteit ter zake van niet-woningen wordt slechts voor 70% in de verdeelmaatstaf betrokken.
  3. 3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald welke verdeelmaatstaven worden gehanteerd en hoe deze worden gehanteerd. Krachtens de maatregel kunnen nadere voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de bij de bepaling gebruikte begrippen en omtrent de wijze van telling van het aantal eenheden per verdeelmaatstaf.
  4. 4. Een krachtens het derde lid vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt niet eerder in werking dan acht weken na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin hij is geplaatst. Van de plaatsing wordt onverwijld mededeling gedaan aan de beide kamers der Staten-Generaal.