Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Ontwerp-besluit tot wijziging van het Asbest-verwijderingsbesluit

Onderdeel van Circulaire uitvoering en handhaving van het Asbest-verwijderingsbesluit· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 16 april 1997

Op 26 november 1996 is een ontwerp-besluit tot wijziging van het Asbest-verwijderingsbesluit worden voorgepubliceerd in de Staatscourant (Stcrt. 1996, 229). Het besluit betreft met name: vrijstellingen van de certificatieplicht voor de verwijdering van asbest; overgangsregeling voor niet-gecertificeerde asbestverwijderings- en asbestonderzoeksbedrijven. De tekst van het ontwerp-besluit tot wijziging van het Asbest-verwijderingsbesluit is als bijlage bij deze circulaire gevoegd. Voor de tekst van het oorspronkelijke besluit en van ministeriële regelingen en het koninklijk besluit op grond van het Asbest-verwijderingsbesluit verwijs ik u naar de ’Uitvoerings- en handhavingsbundel Asbest-verwijderingsbesluit’, die in augustus 1996 is gepubliceerd (voor bestelling zie paragraaf 4). Hieronder wordt de essentie van het wijzigingsbesluit kort toegelicht. Het verwijderen van asbest uit een bouwwerk of object moet sinds 1 maart 1996 plaatsvinden door een asbestverwijderingsbedrijf dat beschikt over een KOMO-procescertificaat voor het verwijderen van asbest. Onder ’verwijderen’ wordt zowel ’sloop’ als ’demonteren’ verstaan. Slopen is volgens artikel 1 van de Woningwet: het afbreken van een bouwwerk of een gedeelte daarvan. Van ’verwijderen’ is sprake als een asbestbevattend materiaal wordt verwijderd dat aard- en nagelvast met het bouwwerk of object verbonden is. Van de verplichting het verwijderen van asbest op te dragen aan een asbestverwijderingsbedrijf dat beschikt over een KOMO-procescertificaat voor het verwijderen van asbest zijn thans enkele werkzaamheden vrijgesteld, die een relatief beheersbaar risico voor mens en milieu meebrengen. Het betreft: het verwijderen door een particulier van bepaalde asbestbevattende materialen uit zijn woning of bijgebouw bij die woning (in de regel: asbestbevattende vloerbedekking, asbestbevattende vloertegels, geschroefde hechtgebonden asbestbevattende materialen binnen, geschroefde hechtgebonden asbestbevattende materialen buiten met een maximum van 35 vierkante meter); het in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk uit elkaar nemen van asbestbevattende gas- en waterleidingbuizen die onderdeel van een ondergronds gas- of waterleidingnet zijn (en derhalve worden beschouwd als objecten); het in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf verwijderen van asbestbevattende pakkingen en rem- en frictiematerialen uit objecten. Bij de bovengenoemde vrijstellingen van de certificatieplicht is aangesloten bij de vrijstellingen van de verplichting op grond van het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet dat bij het verwijderen van asbest een zogenoemde deskundig toezichthouder asbest-sloop (DTA) aanwezig moet zijn. Thans is gebleken dat de verplichting op grond van het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet dat bij de verwijdering van asbest een DTA aanwezig dient te zijn, niet langer van toepassing hoeft te zijn op enkele andere asbestverwijderingswerkzaamheden. Voorts is de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid voornemens nog enkele asbestverwijderingswerkzaamheden vrij te stellen van de verplichting dat daarbij een DTA aanwezig dient te zijn. In het onderhavige wijzigingsbesluit worden deze werkzaamheden, die een relatief beheersbaar risico voor mens en milieu hebben, eveneens vrijgesteld van de certificatieplicht. Het betreft: het in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf als één geheel uit een bouwwerk verwijderen van asbestbevattende verwarmingstoestellen, asbestbevattende boilers en onder verwarmingstoestellen geklemde, asbestbevattende platen waarin de asbestvezels hechtgebonden zijn; het in het kader van de uitoefening van beroep of bedrijf geheel of gedeeltelijk uit een bouwwerk verwijderen van asbestbevattende pakkingen en rem- en frictiematerialen; het geheel of gedeeltelijk uit elkaar nemen van asbestbevattende rioolleidingbuizen die deel uitmaken van een ondergronds rioolleidingnet (en derhalve worden beschouwd als objecten). Overigens zijn op alle werkzaamheden die zijn vrijgesteld van de certificatieplicht en de DTA-plicht wel andere voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening, het Asbestverwijderingsbesluit en het Asbestbesluit Arbeidsomstandighedenwet van toepassing. De verplichting het verwijderen van asbest op te dragen aan een asbestverwijderingsbedrijf dat beschikt over een KOMO-procescertificaat voor het verwijderen van asbest geldt, zoals eerder in deze paragraaf is gesteld, sinds 1 maart 1996. In paragraaf 2 van deze circulaire is beschreven wanneer de verplichting in werking treedt om voorafgaand aan sloop een onderzoek naar de aanwezigheid van asbest te laten uitvoeren door een asbestonderzoeksbedrijf dat beschikt over een KOMO-procescertificaat asbestonderzoek. Vanwege de noodzakelijke toegankelijkheid tot de markt voor asbestverwijderings- en asbestonderzoeksbedrijven die nog niet over een KOMO-procescertificaat beschikken, dient de mogelijkheid te bestaan om ook na de data van ingang van de certificatieplicht een KOMO-procescertificaat voor het verwijderen van asbest of voor asbestonderzoek te verwerven. De laatste stap in de daarvoor geldende procedure is een beoordeling op twee projectlokaties (waar asbestverwijdering of asbestonderzoek plaatsvindt) door de desbetreffende certificatie-instelling. In dat geval wordt echter het Asbest-verwijderingsbesluit en/of worden daarmee in overeenstemming gebrachte voorschriften van de gemeentelijke bouwverordening overtreden, omdat het asbestverwijderingsbedrijf respectievelijk asbestonderzoeksbedrijf niet beschikt over het vereiste KOMO-procescertificaat. Het wijzigingsbesluit bevat een overgangsregeling om deze bedrijven in de gelegenheid te stellen alsnog een KOMO-procescertificaat te verwerven. De wijziging vervangt, voor zover het de verwijdering van asbest betreft, de interimregeling, die is opgenomen in de ’Circulaire uitvoering en handhaving van het Asbest-verwijderingsbesluit’ van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer d.d. 27 februari 1996 (kenmerk SVS/96011908; distributienummer 14397). Het definitieve besluit tot wijziging van het Asbest-verwijderingsbesluit zal waarschijnlijk pas medio 1997 in het Staatsblad worden gepubliceerd. Gezien echter de belangen van het bedrijfsleven bij het onderhavige wijzigingsbesluit, verzoek ik u vanaf heden tot de datum van inwerkingtreding van de desbetreffende voorschriften een gedoogbeleid te voeren voor werkzaamheden die niet voldoen aan de voorschriften van de bouwverordening respectievelijk het oorspronkelijke Asbest-verwijderingsbesluit, maar wel aan de voorschriften van het onderhavige wijzigingsbesluit. Het bovenstaande gedoogbeleid is in overeenstemming met het gezamenlijk beleidskader inzake het terugdringen van het gedogen van milieu-overtredingen van oktober 1991.

Rechtspraak bij dit artikel