In het wetsvoorstel is opgenomen dat op de geldstroom vanuit de werkgevers naar het Lisv in het kader van de premie WAO voor werkgevers een aantal andere financiële zaken kan meeliften. Het gaat daarbij enerzijds om een uit twee componenten bestaande teruggave van middelen vanuit het Aof door het Lisv aan de werkgevers. Anderzijds wordt via de bedoelde geldstroom voor zover van toepassing de WOR-heffing gepleegd bij de werkgevers. Het gebruik van de geldstroom in het kader van de premie WAO heeft de volgende voordelen.
Die geldstroom bestaat tussen het Lisv en alle overheidswerkgevers, waardoor alle overheidswerkgevers kunnen worden bereikt. Verder kan gebruik gemaakt worden van een bestaande geldstroom, waardoor de administratieve lasten en de kosten van de bedoelde teruggave en van de bedoelde heffing beperkt kunnen blijven. Voor de duidelijkheid wordt nog opgemerkt dat deze geldstroom wordt gebruikt als ’voertuig’. Voor de overheidswerkgevers geldt onverkort het landelijk uniforme percentage van de basispremie WAO. Evenmin is er sprake van nadere opslagen of kortingen op de per overheidswerkgever vastgestelde gedifferentieerde premie. De voorgestelde aanpak leidt derhalve niet tot een andere WAO-premie voor overheidswerkgevers dan zonder deze aanpak het geval zou zijn geweest.
Er is sprake van een tweetal op de betaling van de WAO-premie in mindering te brengen bedragen.
Op de eerste plaats is er de vermindering ter grootte van het bedrag aan premies WW over WAO-uitkeringen van werknemers die ten gunste van de werkgevers wordt gebracht en uit het Aof naar hen wordt overgemaakt. Zoals hiervoor (onder 5) vermeld, stelt het Lisv het betreffende bedrag eenmaal op een nader te bepalen moment per jaar per werkgever vast en wordt het vastgestelde bedrag verrekend met het bedrag van door de betreffende werkgever verschuldigde premie WAO. Deze vermindering vervalt op het moment dat het rijkspersoneel onder de WW wordt gebracht.
Het tweede via de geldstroom van de premie WAO in mindering te brengen bedrag betreft het ten gunste van de werkgevers brengen van dat deel van het vermogen van het FAOP dat resteert nadat de vermogensover-dracht van FAOP naar Aof en de liquidatie van het FAOP heeft plaatsgevonden. Dit bedrag wordt vastgesteld bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur. U zult zo spoedig mogelijk ter zake nader worden geïnformeerd.
Voorts zal de heffing bij overheidswerkgevers ter zake van de WOR in verband met de scholing en vorming van ondernemingsraadsleden bij de overheid zoveel mogelijk op marktconforme wijze worden ingevuld. In de marktsector is sprake van een heffing door middel van een opslag op de WW-premies. Aangezien de WW vooralsnog niet geldt voor de overheid, dient aldaar een andere geldstroom te worden gebruikt om de WOR-heffing te laten ’meeliften’. De enige geldstroom die vanaf 1 januari 1998 richting het Lisv plaatsvindt vanuit alle overheidswerkgevers, is de geldstroom van de premie WAO. Derhalve zal de WOR-premie bij de overheid ’meeliften’ met de geldstroom van de premie WAO bij uitsluitend de overheidswerkgevers. Deze heffing maakt geen deel uit van de premie WAO. Het Lisv verricht de inning van deze heffing. Deze heffing is een maandelijkse aangelegenheid en komt te vervallen op het moment dat het overheidspersoneel onder de WW wordt gebracht. Vanaf dat moment zal de WOR-premie ter zake van de overheid op dezelfde wijze als in de marktsector plaatsvinden, namelijk als opslag op de WW-premies.
De hoogte van de WOR-heffing wordt door het Lisv vastgesteld met toepassing van het Besluit heffing scholing en vorming ondernemingsraadsleden bij de overheid. De uitvoeringsuitgaven in verband met de toepassing van deze bepaling zullen worden gedekt via de WOR-heffing.
Artikel 7
Geldstroom wao-premie gebruikt voor een drietal andere geldstromen
Onderdeel van Circulaire Overheidswerknemers onder de werknemersverzekeringen (OOW-operatie)· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 1 januari 1998