De wetgever heeft in de artikelen 15.20 en 15.21 van de Wet milieubeheer (WM) bepaald in welke gevallen de overheid een vergoeding toekent aan een vergunninghouder die door een milieubeschikking van die betreffende overheid kosten moet maken of schade lijdt, waarin niet op een andere wijze is of kan worden voorzien. Het gaat hier om kosten of schade die redelijkerwijs niet of niet geheel voor rekening van de vergunninghouder behoren te blijven.
Deze schadevergoedingsregeling is de uitwerking in de milieuwetgeving van het stelsel van bestuurscompensatie waarvoor artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht de algemene grondslag vormt. Op grond hiervan dient een bestuursorgaan bij besluitvorming de rechtstreeks bij het besluit betrokken belangen af te wegen. Ook bij besluiten over vergunningen op grond van de milieuwetgeving, veelal genomen door Burgemeester en Wethouders of door Gedeputeerde Staten, zal moeten worden nagegaan of de nadelige gevolgen van het besluit voor de vergunninghouder niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen (milieu)doelen. Doet zich een zodanige omstandigheid voor en is dat besluit op zichzelf gerechtvaardigd door het daarmee te dienen doel dan dient aan de vergunninghouder financiële compensatie te worden geboden voor het onevenredig zware nadeel. Van een zodanige situatie zal, gegeven het beginsel ’de vervuiler betaalt’, slechts zelden sprake zijn.
Volgens de artikelen 15.20 en 15.21 van de WM dient het besluit tot het al dan niet toekennen van een schadevergoeding ambtshalve of op aanvraag te worden genomen door het gezag dat bevoegd is de milieubeschikkingen te nemen. Bevoegd zijn in de regel Gedeputeerde Staten of Burgemeester en Wethouders. Dit bevoegd gezag beoordeelt of er sprake is van kosten of schade door een besluit genoemd in een van deze artikelen en in hoeverre een vergoeding hiervan nodig is. Artikel 15.22 bepaalt vervolgens dat een toegekende vergoeding ten laste komt van het bevoegd gezag. Voorzover de Minister van VROM echter met de toekenning instemt, komen de kosten ten laste van het ministerie.
Deze circulaire informeert u over het instemmingsbeleid van de Minister. Verder heeft zij tot doel een eenduidige behandeling van aanvragen van schadevergoeding te bevorderen. Hierbij moet worden opgemerkt dat de circulaire een indicatief karakter heeft. De vastgestelde criteria zijn geen harde eisen in de zin van wettelijke bepalingen. Van de criteria kan worden afgeweken indien in een concrete situatie een strikte hantering ervan tot kennelijk onredelijke uitkomsten zou leiden.
Deze circulaire vervangt de circulaire van 1 juli 1992 over de toepassing van de schadevergoedingsartikelen in de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne. De directe aanleiding om de circulaire te herzien is het per 1 maart 1993 van kracht geworden zijn van de WM.
De circulaire is voorts gewijzigd door de volgende omstandigheden:
het doelgroepenbeleid heeft gevolgen voor het karakter van de vergunningen van bedrijven waarmee een convenant is afgesloten en daarmee voor het schadevergoedingenbeleid;
op een aantal milieubeleidsterreinen is de ruimte voor de andere overheden om een eigen invulling aan het milieubeleid te geven vergroot; dit heeft gevolgen voor het instemmingsbeleid;
de criteria voor het bepalen van de schadevergoedingen wegens het intrekken van vergunningen zijn gewijzigd onder andere in verband met uitspraken van de Raad van State en omdat de toepassing van de criteria tot uitvoerings- en interpretatievraagstukken leidde;
de beroepsprocedure in het geval dat niet geheel of slechts gedeeltelijk wordt ingestemd, is verduidelijkt.
In de artikelen 15.20 en 15.21 van de WM worden twee verschillende soorten milieubesluiten genoemd die tot het toekennen van een schadevergoeding kunnen leiden.1Zie voor een gedetailleerde opsomming bijlage 1.
In artikel 15.20 gaat het hoofdzakelijk om schadevergoeding bij individuele besluiten over vergunningen voor inrichtingen. Deze circulaire is primair gericht op de toepassing van artikel 15.20. In deze circulaire worden de criteria voor het toekennen van zo’n schadevergoeding beschreven (hoofdstuk 3). Verder gaat zij over de wijze waarop die criteria in verschillende vergunningsituaties voor diverse soorten schade en kosten worden toegepast (hoofdstuk 4 en 5), de toetsing door de Minister (hoofdstuk 6) en de te volgen procedures bij een geval van schadevergoeding (hoofdstuk 7).
In artikel 15.21 gaat het om schadevergoeding op grond van een aantal besluiten met een meer algemene strekking zoals algemene maatregelen van bestuur en ministeriële regelingen. Instemming met een schadevergoedingen op grond van artikel 15.21 wordt alleen in zeer uitzonderlijke gevallen voorzien; hierop gaat hoofdstuk 8 nader in.
Artikel 1
Inleiding
Onderdeel van Circulaire schadevergoedingen· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 22 december 1997