Het bevoegd gezag kan om verschillende redenen genoodzaakt zijn een geldende vergunning aan te scherpen: veranderde opvattingen over wat uit oogpunt van verantwoord milieubeheer aanvaardbaar is, andere activiteiten van een inrichting of veranderingen in de omgeving ervan bijvoorbeeld. Het bevoegd gezag kan zich zelfs genoodzaakt zien een verleende vergunning in te trekken. Het kan ook een verzoek om wijziging of uitbreiding van de inrichting weigeren. Dergelijke beslissingen hebben in de regel financieel-economische gevolgen voor de vergunninghouder.
Schadevergoeding om onevenredige last te voorkomen
Internationaal bestaat overeenstemming over het beginsel ’de vervuiler betaalt’: financieel-economische gevolgen van milieumaatregelen behoren volledig voor rekening te komen van de vergunninghouder. Toch kunnen zich situaties voordoen waarin het toepassen van dit beginsel tot onbillijkheden leidt: een bedrijf kan door een milieubesluit in vergelijking met concurrenten een onevenredige last ondervinden. Er is sprake van een onevenredige last als de concurrentieverhoudingen wezenlijk worden verstoord. Die last zal veelal bestaan uit relatief hoge en zwaarwegende kosten voor ’bovennormale’ voorzieningen. ’Bovennormaal’ vergeleken met gangbare voorzieningen elders in ons land of in andere moderne industrielanden.
Voor de (mede)financiering door de overheid van de uitvoering van het milieubeleid bestaan naast de schadevergoedingsregeling ook andere regelingen zoals bijvoorbeeld die voor het saneren van milieuhinderlijke bedrijven in de woonomgeving.
De schadevergoedingsregeling waar het in deze circulaire om gaat is bedoeld als ’vangnet’ voor individuele gevallen waarin voorgeschreven milieuvoorzieningen of -maatregelen tot kennelijk onredelijk hoge kosten of schade leiden. Zij is dus uitdrukkelijk niet bedoeld om de uitvoering van het milieubeleid te stimuleren.
Het overheidsbeleid is meer en meer gebaseerd op het aanspreken van de eigen verantwoordelijkheid van het bedrijfsleven voor het realiseren van milieubeleidsdoelstellingen. In het kader van het zogeheten doelgroepenbeleid zijn met een aantal bedrijfstakken convenanten afgesloten die mede zijn ondertekend door individuele bedrijven. Dit beleid heeft een aantal kenmerken die gevolgen hebben voor het karakter van de vergunningverlening en daarmee voor de toepassing van de schadevergoedingsregeling. Het gaat om maatwerk en om een bedrijfstakgerichte aanpak, waardoor het optreden van wezenlijke concurrentieverstoringen in aanzienlijke mate kan worden vermeden. Voor de implementatie van milieumaatregelen worden termijnen gegund. Dat betekent, dat de voorzienbaarheid van het moeten nemen van milieumaatregelen wordt vergroot en daardoor ook de mogelijkheid om het nemen van de maatregelen zodanig te plannen, dat de kosten ervan zo laag mogelijk uitvallen. Ten slotte gaat het om maatregelen die door de bedrijven veelal uit eigen beweging ter uitvoering van de convenanten in bedrijfsmilieuplannen worden opgenomen. In zo’n situatie waar het gaat om maatregelen die voortvloeien uit convenanten is een schadevergoeding niet aan de orde.
Voor de uitvoering van het milieubeleid op terreinen, waarop de andere overheden een grote mate van beleidsvrijheid hebben, zal in beginsel niet met het toekennen van schadevergoedingen ten laste van het ministerie worden ingestemd. Voor zover als gevolg van eigen lokale of regionale afwegingen vergunningen worden aangescherpt of ingetrokken, behoren de daaruit eventueel voortvloeiende schadevergoedingen ten laste van het bevoegd gezag te blijven. Dergelijke vergoedingen zijn immers het gevolg van de invulling van de eigen verantwoordelijkheid.
Artikel 2
Schadevergoeding en milieubeleid
Onderdeel van Circulaire schadevergoedingen· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 22 december 1997