Het bevoegd gezag kan een schadevergoeding op aanvraag of ambtshalve toekennen. Voor de toetsing op rijksniveau en de informatie die een onderneming moet verstrekken, maakt het niet uit of een schadevergoeding ambtshalve of op aanvraag wordt toegekend.
Alleen de vergunninghouder kan een aanvraag om toekenning van een schadevergoeding indienen. De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht zijn daarbij van toepassing. De vergunninghouder kan een aanvraag indienen zodra hij de ontwerp-beschikking van de vergunning heeft ontvangen; hij hoeft dus niet te wachten tot het vergunningbesluit van kracht is. De aanvraag moet worden ingediend bij het bevoegd gezag dat in eerste aanleg het besluit over de vergunning heeft genomen. Voor het behandelen van een aanvraag om schadevergoeding heeft het bevoegd gezag behoefte aan informatie over het bedrijf van de vergunninghouder.
De aanvrager dient in ieder geval de volgende gegevens te verstrekken:
een beschrijving van de milieumaategelen waarvoor om de toekenning van een schadevergoeding wordt gevraagd;
een opgave van de kosten van de milieumaatregelen. Hierbij moet de aanvrager aangeven;
of deze kosten de laagst mogelijke zijn; hij dient daartoe zo mogelijk uitgebrachte offertes bij de aanvraag te voegen;
in hoeverre en in welke mate de kosten beduidend hoger zijn dan die van concurrenten en welke deze zijn;
in hoeverre deze hogere kosten invloed hebben op de concurrentiepositie van het bedrijf;
een opgave van de andere financiële tegemoetkomingen waarop de vergunninghouder een beroep kan doen en voor welk bedrag;
in het geval de schadevergoeding wordt aangevraagd wegens het intrekken van een vergunning een met een deskundigenrapport onderbouwde opgave van de vermogensschade en winstderving en, indien van toepassing, een met offertes onderbouwde opgave van de verhuiskosten en de kosten van vervangende huisvesting. In het geval van verhuiskosten moet tevens worden aangegeven wat de boekwaarde is van de te verhuizen kapitaalgoederen, gecorrigeerd voor de restwaarde.
Voorts moet hij bij de aanvraag voegen:
de aanvraag om vergunning;
de meest recente voorafgaande vergunningen;
de door een accountant goedgekeurde jaarstukken over de voorafgaande drie kalenderjaren.
Het bevoegd gezag moet binnen een termijn van vier maanden op een aanvraag om schadevergoeding beslissen. Wanneer het bevoegd gezag een advies van deskundigen heeft ingewonnen wordt de beslissingstermijn echter zeven maanden.
Kent het bevoegd gezag een schadevergoeding ambtshalve toe dan is er geen sprake van een verzoek en dus ook niet van een beslissingstermijn.
Op een beslissing op een aanvraag en op het ambtshalve toekennen van een schadevergoeding zijn de bezwaar- en beroepsbepalingen van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing.
Het bevoegd gezag en de vergunning-houder zullen in het algemeen over een mogelijke schadevergoeding reeds overleg hebben gehad, voordat de vergunninghouder een aanvraag indient. Het is goed ook het ministerie bij dit overleg te betrekken, omdat er instemming van de Minister voor nodig is, wil een schadevergoeding ten laste van ’s Rijkskas komen.
In het algemeen is het gewenst dat het bevoegd gezag de Minister van VROM in een zo vroeg mogelijk stadium informeert over een aanvraag om schadevergoeding. In deze zogenoemde vooraanmelding kan het bevoegd gezag aangeven om welk bedrijf en om welke voorzieningen het gaat hoe hoog de schadevergoeding globaal zal kunnen uitvallen en wanneer deze naar verwachting toegekend zal worden. Een vooraanmelding bevordert een goede en snelle afhandeling van de instemmingsprocedure.
Als een vergunninghouder een aanvraag om schadevergoeding indient, gaat het bevoegd gezag allereerst na of het verzoek ontvankelijk is. De volgende punten zijn hierbij van belang.
Gaat het om een in artikel 15.20 of 15.21 van de WM genoemd besluit?
Is er een (ontwerp-)vergunningbesluit op basis waarvan schadevergoeding wordt gevraagd?
Is de aanvraag ingediend bij het bevoegd gezag dat in eerste aanleg het besluit over de vergunning neemt of heeft genomen?
Is het formulier juist en volledig ingevuld en zijn alle bijlagen bijgevoegd?
Bij verzoeken om schadevergoeding wegens het intrekken van een vergunning en bij verzoeken om schadevergoeding groter dan een miljoen gulden wegens het aanscherpen van een vergunning is het noodzakelijk dat het bevoegd gezag de inspecteur om advies vraagt. Dit advies betreft de vraag of het intrekken van de vergunning uit een oogpunt van milieubeheer absoluut nodig is dan wel of er in het geval van vergunningaanscherping sprake is van bovennormale voorzieningen. Het bevoegd gezag nodigt de inspecteur ook uit deel te nemen aan het overleg tussen het bevoegd gezag en het ministerie van VROM.
Burgemeester en Wethouders of Gedeputeerde Staten stellen vervolgens een ontwerpbesluit inzake de toekenning van een schadevergoeding vast, zo mogelijk binnen twee maanden na indiening van de aanvraag om schadevergoeding.
Bij aanvragen om toekenning van een schadevergoeding wegens vergunningintrekking is het altijd gewenst dat het bevoegd gezag een advies van deskundigen inwint, gelet op het specifieke karakter van de materie en de wenselijkheid van een consistente behandeling van verzoeken om schadevergoeding. Dit zal in twee maanden gereed moeten zijn. De belanghebbende, in dit geval de vergunninghouder, krijgt daarna een maand de tijd om zijn opvattingen over het advies kenbaar te maken.
Daarna stelt het bevoegd gezag binnen vijf maanden nadat de aanvraag is ingediend een ontwerpbesluit vast. De kosten van het advies van deskundigen kan het bevoegd gezag ten laste brengen van het Rijk voorzover daar vooraf mee is ingestemd.
Indien het ontwerpbesluit op een aanvraag om toekenning van een schadevergoeding positief is en het bevoegd gezag meent dat de schadevergoeding ten laste van het Rijk moet komen zal uit het ontwerpbesluit ten minste moeten blijken.
De ontvankelijkheid.
Het voorlopig oordeel over de aanvraag om schadevergoeding volgens de wettelijke criteria, uitgewerkt in deze circulaire. Daarbij kan het beste hoofdstuk vijf worden gevolgd. Afwijkingen moeten worden gemotiveerd.
Het eventuele standpunt van de inspecteur; afwijkingen van dat standpunt moeten worden gemotiveerd.
Het eventuele advies van deskundigen.
De hoogte van de schadevergoeding die het bevoegd gezag zou willen toekennen en de daaraan verbonden voorwaarden.
Valt de beslissing negatief uit, dan moeten in de beschikking de eerste drie punten duidelijk tot uiting komen.
Onmiddellijk nadat het bevoegd gezag het ontwerpbesluit inzake de toekenning van een schadevergoeding heeft genomen, kan het de Minister om instemming verzoeken. Bij dat verzoek om instemming moet het tenminste voegen:
het ontwerpbesluit inzake de toekenning van een schadevergoeding;
de aanvraag om schadevergoeding met alle bijlagen;
de (ontwerp-)vergunningbeschikking;
een afschrift van de eventuele adviezen van de inspecteur en overige deskundigen over de besluitvorming inzake de vergunning en/of de schadevergoeding.
Binnen twee maanden na de datum van ontvangst van het verzoek om instemming wordt hierop een beslissing genomen.
Uit deze beslissing zal ten minste blijken:
de toetsing van het ontwerpbesluit inzake de toekenning van een schadevergoeding aan de wettelijke criteria zoals uitgewerkt in deze circulaire;
of eerder verleende vergunningen een beletsel kunnen zijn om een schadevergoeding toe te kennen;
indien de toetsing positief uitvalt, met welke schadevergoeding wordt ingestemd en de daaraan verbonden voorwaarden.
Binnen vier maanden – of als advies van deskundigen is ingewonnen binnen zeven maanden – nadat een aanvraag om schadevergoeding is ingediend, moet het bevoegd gezag een definitieve beslissing daarop nemen. Is het verzoek om instemming niet tijdig ingediend of is de beslissing van de Minister niet tijdig verkregen, dan lijkt het goed dat het bevoegd gezag met de vergunninghouder overlegt over een eventuele verdaging van het besluit inzake de toekenning van een schadevergoeding. Het definitieve besluit zal ten minste dezelfde punten bevatten als de ontwerp-beschikking.
Tegen een besluit om schadevergoeding of tegen het uitblijven van zo’n besluit – een fictieve weigering – staat voor de vergunninghouder na het doorlopen van de bezwaarprocedure van de Algemene wet bestuursrecht beroep open volgens het bepaalde in hoofdstuk 20, paragraaf 1, van de WM in samenhang met de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep moet worden ingediend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Het bevoegd gezag kan volgens het bepaalde in artikel 15.23 van de WM verzoeken dat bij geen dan wel slechts gedeeltelijk instemming van de Minister bij Koninklijk Besluit wordt bepaald dat de kosten van een toegekende vergoeding alsnog geheel of gedeeltelijk ten laste komen van het Rijk. De Raad van State wordt hierbij om advies gevraagd. De Raad van State stelt het Koninklijk Besluit in ontwerp op.
Belangrijk is of de kosten waarvoor het bevoegd gezag een vergoeding toekent ten tijde van het besluit al zijn opgetreden: het maakt verschil voor het karakter en de wijze van uitvoering van het besluit.
Als ten tijde van het besluit de kosten al zijn opgetreden en dus exact bekend zijn, kan het bevoegd gezag de schadevergoeding definitief toekennen. Uiteraard voor zover de milieuvoorziening aan de gestelde eisen voldoet. Daartoe voert het bevoegd gezag een controle uit. Burgemeester en Wethouders of Gedeputeerde Staten betalen uit op basis van een opgave van de werkelijke kosten, die door een externe registeraccountant is geverifieerd. Voor zover de Minister met de schadevergoeding heeft ingestemd kan het bevoegd gezag het bedrag bij het ministerie van VROM declareren.
Zijn de kosten nog niet opgetreden dan kunnen Burgemeester en Wethouders of Gedeputeerde Staten de schadevergoeding slechts voorlopig toekennen. Nadat gecontroleerd is of met de milieuvoorzieningen het voorgeschreven doel of middel is bereikt, bepaalt het bevoegd gezag de definitieve schadevergoeding aan de hand van een opgave van de werkelijke kosten, door een externe registeraccountant geverifieerd. In het algemeen kan bij een definitieve vergoeding geen rekening worden gehouden met kosten die hoger uitvallen dan was geraamd.
Vooruitlopend op de definitieve vaststelling kan het bevoegd gezag op verzoek van de vergunninghouder voorschotten verstrekken, naar gelang deze aan de hand van betaalbewijzen aantoont kosten te hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Voorschotten kunnen worden betaald tot een maximum van 80% van de toegekende schadevergoeding, voorzover daarmee is ingestemd. Alvorens tot het uitbetalen van deze voorschotten over te gaan kunnen Burgemeester en Wethouders of Gedeputeerde Staten de kosten van de gevraagde voorschotten declareren bij het ministerie van VROM.
Voor de uitbetaling en declaratie van de definitieve schadevergoeding of het restant daarvan, geldt wat we onder 1 hebben gesteld. Valt de definitieve schadevergoeding hoger uit dan de voorlopige dan kan het verschil slechts ten laste komen van het departement als de Minister met de verhoging heeft ingestemd.
Artikel 7
Procedure in het kader van besluiten over schadevergoeding
Onderdeel van Circulaire schadevergoedingen· Ruimtelijke ordening en milieu
Deze tekst geldt sinds 22 december 1997