Naar hoofdinhoud

Paragraaf 3

Artikel 4

Bruto vloeroppervlakte (voortgezet) speciaal onderwijs

Onderdeel van Uitvoeringsbesluit voorzieningen in de huisvesting PO/VO· Onderwijsrecht

Deze tekst geldt sinds 1 januari 2007

1. De bruto vloeroppervlakte per gelijktijdig aanwezige leerling en de vaste voet die een school voor speciaal onderwijs, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs tenminste dient te bevatten bedragen voor de onderscheiden schoolsoorten in vierkante meters: speciaal onderwijs voortgezet speciaal onderwijs vaste per vaste per voet leerling voet leerling a. dove kinderen 100 13,5 150 13,5 b. slechthorende kinderen 130 8,1 160 11,7 c. kinderen met ernstige spraakmoeilijkheden die niet tevens behoren tot de onder a of b bedoelde kinderen 130 8,1 160 11,7 d. visueel gehandicapte kinderen 240 8,1 275 11,7 e. lichamelijk gehandicapte kinderen 180 11,3 270 14,4 f. langdurig zieke kinderen 130 7,8 165 11,7 g.vervallen h. zeer moeilijk lerende kinderen 100 8,1 140 7,7 i. zeer moeilijk opvoedbare kinderen 100 8,0 180 11,7 j.vervallen k. kinderen in scholen verbonden aan pedologische instituten 100 9,5 140 11,3 l. meervoudig gehandicapte kinderen, waaronder meervoudig gehandicapte, visueel gehandicapte kinderen 200 15,8 220 15,3 2. Indien aan een school meer dan een schoolsoort is verbonden, is de schoolsoort met het grootste aantal leerlingen bepalend voor de vaste voet van de school. Indien aan een school twee of meer schoolsoorten zijn verbonden met hetzelfde grootste aantal leerlingen, is de schoolsoort met de grootste vaste voet bepalend. 3. Voor het toekennen van de vaste voet wordt onder een school of instelling tevens begrepen een nevenvestiging van een instelling, genoemd in artikel X van de Wet van 31 mei 1995 (Stb. 319).

Rechtspraak bij dit artikel