Naar hoofdinhoud

Artikel 2

De nieuwe Huursubsidiewet op hoofdlijnen

Onderdeel van Huursubsidiewet, in het bijzonder de prestatienormen· Wonen, onroerend goed, bouwrecht

Deze tekst geldt sinds 1 juli 1997

In 1995 heeft een interdepartementale werkgroep de huidige regeling grondig tegen het licht gehouden. De werkgroep heeft voorgesteld de regeling nog meer te ijken op de woningmarktsituatie. Een uitgebreide analyse van de huurvoorraad heeft dan ook als basis gediend voor de wet, zoals deze er nu ligt. In de Memorie van Toelichting bij de wet staat te lezen dat de nieuwe wet is gebouwd op een drietal pijlers. De eerste is de matiging van de huurlasten. De huursubsidiesystematiek is zodanig aangepast dat deze meer toegesneden is op de woningmarkt- en huishoudsituatie. De tweede betreft de vereenvoudiging en de klantvriendelijkheid. Door het verdwijnen van de complexe tabellen en door het afschaffen van het schattingsinkomen heeft de regeling aan eenvoud en klantvriendelijkheid gewonnen. De derde pijler is de doelmatige aanwending van de huursubsidie-middelen. Door de aanscherping van de vermogenstoets en het stelsel van prestatienormen zal het doelmatige gebruik van de regeling, waar nodig, toenemen. Het Kabinet heeft niet gekozen voor een verregaande vorm van decentralisatie of voor budgettering. Tevens heeft het Kabinet afgezien van beheersingsmaatregelen in de sfeer van beperking van de aantallen ontvangers. Er blijft dus sprake van een door het Rijk uitgevoerde, open-eind-regeling. Daarbij gaat het Kabinet er van uit dat alle partijen hun verantwoordelijkheid zullen nemen. De huidige regeling betreft een stelsel van oplopende kwaliteitskorting. Dat wil voor huurders zeggen hoe hoger de huur is, hoe hoger de kwaliteitskorting is en dus hoe hoger de eigen bijdrage is. Het Kabinet heeft gemeend om de gewenste matiging van de huurlasten te zoeken in onder meer een wijziging van de kwaliteitskortingssystematiek. Deze korting op de subsidie zal sterk worden verminderd. De nieuwe regeling ziet er als volgt uit (huurgrenzen per 1 juli 1997): De verschillen met de huidige situatie zijn duidelijk. De korting is sterk gematigd. Zo begint de korting nu niet bij een huurniveau van f 412, maar bij f 575. Ook is in de nieuwe regeling de oplopende korting (in stapjes tot wel 55%) vervangen door één kortingspercentage van 25%. De aftoppingsgrenzen bedragen f 823 voor 1- en 2-persoonshuishoudens en f 882 voor grotere huishoudens. Het leeuwendeel van de huurwoningen, ongeveer 2,7 miljoen huurwoningen (dat wil zeggen ongeveer 85% van de huurvoorraad), valt onder deze grenzen. De huurvoorraad onder aftoppingsgrenzen is dus ± 2 keer zo groot als de populatie doelgroephuishoudens en ± 3 keer zo groot als het huidige aantal huursubsidie-ontvangers. Boven deze aftoppingsgrenzen ontvangen 65-plussers, alleenstaanden en/of gehandicapten nog 50% subsidie. Over een juiste formulering omtrent het begrip ’gehandicapten’ zal in de volgende MG-circulaire worden teruggekomen. Huishoudens die niet tot één van deze drie categorieën horen, ontvangen boven deze huurgrens geen extra subsidie. Bij het vaststellen van de aftoppingsgrenzen heeft de leefbaarheid van buurten en wijken een belangrijke rol gespeeld. Bij de analyse van de huurvoorraad is op basis van de huidige situatie er van uitgegaan dat 4 van elke 10 huishoudens in de buurten met goedkope en betaalbare huurwoningen niet tot de doelgroep van beleid horen. Er is rekening gehouden met een qua inkomen gemêleerde opbouw van de wijken. Dat betekent dat een veel groter deel van de huurvoorraad beschikbaar moet zijn voor de lagerbetaalden. Het Kabinet heeft gekozen om de aftoppingsgrenzen te differentiëren naar huishoudgrootte. Immers, grotere huishoudens hebben grotere woningen nodig en zijn dus in principe aangewezen op een ander deel van de huurvoorraad. De hoogte van de normhuur is niet gewijzigd. Ook is in de jaarlijks indexering van deze normhuur geen wijziging aangebracht. Dit geschiedt met de verwachte gemiddelde huurontwikkeling. Echter, in de wet is de mogelijkheid opgenomen, dat door het Kabinet – in overleg met het parlement – van deze wijze van indexering kan worden afgeweken. De normhuren zullen dan met de ontwikkeling van het netto ABW-inkomen worden aangepast. Naast de relatie huur – inkomen wordt de hoogte van de huursubsidiebijdrage ook bepaald door een tweetal toeslagen (kindertoeslag en koopkrachttoeslag). De bedragen per maand zijn: voor een alleenstaande: f 4 voor een meerpersoonshuishouden, zonder kinderen: f 8 voor een meerpersoonshuishouden, waarvan 1 of 2 kinderen (f 8 + f 32) f 40 voor een meerpersoonshuishouden, waarvan 3 of meer kinderen (f 8 + f 43) f 51 Verder is het minimum-bedrag aan subsidie verlaagd. Dient men in de huidige regeling minimaal recht te hebben op f 25 aan subsidie (zonder toeslagen) om in aanmerking te komen voor huursubsidie, in de nieuwe regeling is dat bedrag verlaagd naar f 10. In dit minimumbedrag zitten thans tevens de toeslagen verwerkt. Gezien het voorgaande is de conclusie dat de huurlasten sterk worden gematigd door de huidige prikkel (kwaliteitskorting) uit het systeem te schrappen. Normhuur: f 330 (bij inkomen op minimumniveau) Huur: f 800 Systematiek wet: tussen f 330 en f 575 (kortingsgrens) tussen f 575 en f 800 toeslag: 100% 75% f 4 subsidie: (f 245 x 100%) + (f 225 x 75%) + f 4 = f 418 Netto huur: f 800 – f 418 = f 382 Huidige systematiek: Subsidie: f 384 Netto huur: f 416 De tweede pijler betreft de vereenvoudiging. De huidige regeling heeft in de loop der jaren veel van haar bestendigheid verloren. De complexe huursubsidie-regeling veroorzaakte steeds vaker ongewenste effecten, met als dieptepunt de ’tabellenproblematiek’ van 1994. De tabellen, die de uitvoering van de regeling complex maakten, zullen verdwijnen. In de nieuwe regeling is het berekenen van de subsidie makkelijker en in een paar stappen uit te voeren, zoals in bovenstaand rekenvoorbeeld is te zien. Dit komt – naast het bestendiger maken van de regeling – ook de klantvriendelijkheid en de begrijpelijkheid zeker ten goede. In de Huursubsidiewet is een basis gecreëerd voor een vangnetregeling voor huishoudens die na het peiljaar een aanzienlijke inkomensdaling ervaren. Tevens is het afschaffen van het schattingsinkomen in de huidige vorm een grote vereenvoudiging. De aan het schattingsinkomen verbonden nadelen, zoals ca. 40.000 terugvorderingen in 1995, zijn in de nieuwe wet verdwenen, omdat in de nieuwe wet altijd het inkomen van het kalenderjaar voorafgaand aan het tijdvak wordt gehanteerd. Hierdoor is voor een aanvrager, wanneer hij/zij het aanvraagformulier invult, het belastbare inkomen in de meeste gevallen reeds bekend. Ook het partnerbegrip betreft een vereenvoudiging. De eis dat samenwonenden eerst een jaar samen in een huurwoning moeten wonen, voordat zij als één huishouden huursubsidie kunnen aanvragen is losgelaten. Hiermee zijn samenwonenden gelijk gesteld aan gehuwden, hetgeen voor de meeste huishoudens een financieel voordeel betekent. Op dit moment dienen beide huurders in het eerste jaar nog de huurprijs te delen en moeten zij ieder apart subsidie aanvragen. Het Kabinet heeft gekozen om de doelmatigheid en doeltreffendheid van de huursubsidiemiddelen te vergroten zodat zij bij de juiste mensen terecht komen. De genoemde verbeteringen en vereenvoudigingen hebben er toe geleid dat het tot op heden gehanteerde beheersingsinstrumentarium (kwaliteitskorting) is afgezwakt. Prestatienormen, die verderop in deze circulaire uitgebreid zullen worden uiteengezet, worden ingevoerd om een bijdrage te leveren aan de doelmatigheid. Een ander element binnen de nieuwe Huursubsidiewet betreft de aanscherping van de vermogentoets. De draagkracht van huishoudens met behoorlijk vermogen wordt voldoende geacht om de huurlasten zelf te kunnen bekostigen. Die huursubsidiemiddelen kunnen effectiever worden ingezet voor de huishoudens met lagere inkomens en zonder vermogen. Thans ligt de grens bij de vermogensbelasting (f 80.000 en f 160.000 voor respectievelijk alleenstaanden en meerpersoonshuishoudens). In de nieuwe wet zal voor een éénpersoonshuishouden, waarvan de huurder jonger is dan 65 jaar, die grens f 38.000 bedragen en voor een meerpersoonshuishouden, waarvan geen van de bewoners 65 jaar of ouder is, f 56.000. Voor huishoudens met één of meer bewoners ouder dan 65 jaar, bedragen de vermogensgrenzen respectievelijk f 65.000 en f 90.000. De Belastingdienst gaat na welk totaal vermogen er binnen een huishouden aanwezig is. Er wordt aangesloten bij wat in de Wet op de vermogensbelasting 1964 wordt verstaan onder vermogen. Naast spaartegoeden wordt ook bijvoorbeeld de economische waarde van de motor, de auto, de boot, de camper en de caravan als vermogen meegenomen (voor kinderen tot 23 jaar geldt een vrijstelling van f 2.000). Kapitaalverzekeringen of lijfrentepolissen ten behoeve van de oude dag tellen conform de Wet op de vermogensbelasting in beginsel niet mee. Als datum voor de bepaling van het vermogen geldt 1 januari van het lopende subsidiejaar. Voor het eerste jaar geldt een overgangsregel. De peildatum voor het tijdvak 1997/98 is niet 1 januari 1997, maar 1 januari 1998. Echter, voor het subsidiejaar 1998/1999 is 1 januari 1998 ook de peildatum. Als er sprake is van vermogen boven de hiervoor genoemde bedragen wordt door de Belastingdienst een ’vermogensvaststellingsbeschikking’ afgegeven. In dat geval bestaat geen recht op huursubsidie. Voor het eerste jaar verliest men per 1 januari 1998 met terugwerkende kracht tot 1 juli 1997 het recht op huursubsidie. De maximale huurgrens (per 1 juli a.s. verhoogd tot f 1.085) zal met ingang van het daaropvolgende tijdvak worden bevroren. Huurders die door de jaarlijkse huurverhoging boven deze huurgrens uitkomen en daardoor het recht op huursubsidie verliezen, komen twee jaar lang in aanmerking voor een overgangsmaatregel. Het betreffende huishouden dient wel een andere, meer betaalbare, woning te zoeken, maar zal niet onmiddellijk worden geconfronteerd met het volledig wegvallen van de huursubsidie. Het eerste jaar ontvangt men 67% en het tweede jaar 33% van de subsidie, veronderstellende dat de huurwoning maandelijks f 1.085 kost. Uit de oude wet is overgenomen dat de maximale huurgrens voor jongeren lager ligt dan voor de huursubsidie-ontvangers van 23 jaar en ouder. Echter de grens is extra verhoogd dan louter op grond van de oude wet het geval zou zijn. Dit is gedaan om in de nieuwe wet niet met te veel verschillende grenzen te werken. De maximumhuurgrens voor jongeren is gelijk aan de kortingsgrens (f 575). Het parlement heeft tijdens de behandeling van de Huursubsidiewet verzocht het aantal categorieën onzelfstandige wooneenheden, waarvan de huurders in aanmerking komen voor huursubsidie, uit te breiden. Op dit moment wordt hieraan gewerkt. In de volgende MG-circulaire zal inhoudelijk op dit onderdeel worden teruggekomen. Voor de berekening van de huursubsidie worden als subsidiabele servicekosten meegenomen: maandelijkse kosten gemeenschappelijke ruimten, energiekosten voor lift, ventilatie, hydrofoor- en alarminstallaties; maandelijkse kosten voor het schoonhouden van liften en andere gemeenschappelijke ruimten; maandelijkse kosten voor huismeester; en maandelijkse kapitaals- en ondershoudskosten voor dienstruimten en gemeenschappelijke recreatieruimten. Elk van de servicekosten is gemaximeerd op f 25 per maand. In de huidige regeling kan men hiernaast een tweetal andere servicekostenposten opgeven. Van deze twee wordt relatief weinig gebruik gemaakt (± 10% van de totale servicekosten). In de wet is een experimenteer-artikel opgenomen, om huursubsidie-middelen in te kunnen zetten voor experimenten met huur-koop-omzettingen. Bij het departement wordt momenteel onderzoek verricht om het eigen woningbezit, ook bij de doelgroephuishoudens, te bevorderen. Wanneer het beleid hieromtrent is vastgesteld, zullen eventuele experimenten, in het kader van de Huursubsidiewet, kunnen worden opgestart.

Rechtspraak bij dit artikel