Per 1 januari 1998 komen de meeste instrumenten voor bewust belonen te vervallen. Gehandhaafd blijven de mogelijkheid om een ambtenaar een extra periodiek toe te kennen (artikel 7, tweede lid, BBRA 1984) en de mogelijkheid om voor een ambtenaar, die op het maximum van zijn schaal staat, bij uitstekend functioneren het salaris vast te stellen op een bedrag in de naasthogere salarisschaal (artikel 8 BBRA 1984).
In de plaats van de vervallen beloningsinstrumenten komt per 1 januari 1998 één instrument (gewijzigd artikel 22a BBRA 1984): de eenmalige of periodieke toeslag. Aan de toeslag worden in de centrale regelgeving geen beleidsmatige of financiële voorwaarden verbonden. De departementen zijn dan ook vrij omtrent de toepassing van dit nieuwe instrument zelf beleidsregels vast te stellen. Met de vervanging wordt beoogd de regelgeving te vereenvoudigen en de transparantie in de toepassing van bewust belonen te vergroten. De departementen zullen over de toepassing van het instrument tot op niet op personen herleidbaar niveau inzicht moeten verschaffen aan de ondernemingsraad en (bijvoorbeeld via de begroting) de Tweede Kamer.
Het betaalbaar stellen van de toelagen voor onregelmatige diensten en bereikbaar- en beschikbaarheidsdiensten geeft de werkgever veel administratieve rompslomp. De ambtenaar die voor deze toelagen in aanmerking komt, heeft vanwege deze toelagen vaak een onregelmatig maandinkomen. Om de administratieve rompslomp bij de werkgever en het onregelmatige maandinkomen bij de ambtenaar zoveel mogelijk te voorkomen, wordt de mogelijkheid geboden om voor deze inconveniënten een vaste toelage toe te kennen. De vaste toelage dient te worden berekend aan de hand van het dienstrooster van de ambtenaar. De artikelen 17 en 18a van het BBRA 1984 worden hieraan aangepast per een nader te bepalen datum.
Het kan voorkomen dat de ambtenaar die vrijwillig voor een andere functie kiest te maken krijgt met een inkomensverlaging als gevolg van een vermindering van de toelage voor onregelmatige diensten. Ter bevordering van de functionele mobiliteit wordt het bevoegd gezag de mogelijkheid geboden om die ambtenaar voor een afbouwtoelage voor onregelmatige diensten in aanmerking te brengen. Hiertoe wordt artikel 18 BBRA 1984 per een nader te bepalen datum gewijzigd.
Per 1 januari 1998 wordt het mogelijk om de aanspraak op vakantie van een ambtenaar op diens verzoek te verlagen. Hiertoe wordt artikel 22 van het ARAR aangepast. Het aantal uren vakantie waarvan afstand kan worden gedaan is beperkt tot het aantal uren vakantie waarop de ambtenaar over het desbetreffende kalenderjaar aanspraak heeft verminderd met 144 uur. Voor deeltijders wordt dit naar evenredigheid berekend. Per uur vakantie waarvan de ambtenaar afstand doet ontvangt hij een vergoeding die gelijk is aan zijn salaris per uur op de dag waarop zijn verzoek door het bevoegd gezag is ontvangen. De verzoeken moeten worden ingediend vòòr een door het bevoegd gezag vastgesteld tijdstip. Het bevoegd gezag is vrij in het vaststellen van dit tijdstip. Op de ingediende verzoeken moet gelijktijdig een beslissing worden genomen opdat een evenwichtige afweging van de belangen van de dienst en de belangen van de ambtenaren kan plaatsvinden. Verzoeken kunnen worden afgewezen voor zover het dienstbelang zich tegen verlaging van de aanspraak verzet. Hierbij kan gedacht worden aan het ontbreken van de financiële middelen om de ambtenaar een vergoeding te geven voor de uren vakantie waarvan hij afstand wil doen. Ook de hoeveelheid voorhanden werkzaamheden die verdeeld moeten worden over het personeel speelt een rol. Tenslotte dient er voor gewaakt te worden dat een beperking van het aantal door de ambtenaar te genieten uren vakantie niet schadelijk is voor zijn gezondheid.
Per 1 januari 1999 wordt de uitkering na ontslag voor de ambtenaar die in tijdelijke dienst is aangesteld gewijzigd.
Indien de Werkloosheidswet per 1 januari 1999 voor de ambtenaren gaat gelden, zullen ambtenaren die in tijdelijke dienst zijn aangesteld recht hebben op een uitkering die alleen gebaseerd is op de Werkloosheidswet. Het op die datum dan eveneens in werking te treden Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk, geldt dus niet voor de ambtenaren met een tijdelijke aanstelling.
Indien de Werkloosheidswet niet per 1 januari 1999 voor de ambtenaren gaat gelden, wordt de Uitkeringsregeling 1966 per 1 januari 1999 zodanig aangepast dat de hoogte van de uitkering tijdens de gehele bezoldigingsgerelateerde fase 70% van de bezoldiging bedraagt.
Bovengenoemde wijzigingen gelden niet voor de ambtenaren die vòòr of op 1 juli 1997 in tijdelijke dienst zijn aangesteld en die op of na 1 januari 1999 worden ontslagen. Voor hen geldt dat ze recht hebben op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en het Besluit bovenwettelijke uitkeringen bij werkloosheid voor de sector Rijk of dat ze recht hebben op een uitkering krachtens de Uitkeringsregeling 1966 zoals deze luidde op 31 december 1998.
Met ingang van een nader te bepalen datum zal het mogelijk worden om op verzoek van betrokkene een tijdelijke aanstelling te verlenen met op de persoon toegesneden primaire en secundaire arbeidsvoorwaarden. Daarbij kan onder meer een salaris worden toegekend dat hoger is dan voor de functie gebruikelijk is en een pakket secundaire arbeidsvoorwaarden dat beperkter is dan binnen de rijksdienst geldt. Van deze mogelijkheid kan alleen in zeer bijzondere gevallen gebruik worden gemaakt. Over de mate waarin en de voorwaarden waaronder dergelijke aanstellingen worden verleend zal tot op niet op personen herleidbaar niveau periodiek inzicht verschaft moeten worden aan de ondernemingsraad en (bijvoorbeeld via de begroting) de Tweede Kamer.
Artikel III
Differentiatie, flexibiliteit en zekerheid
Onderdeel van Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1997-1999· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 30 mei 1997