Naast een redactionele aanpassing van de ouderschapsverlofregeling wordt de inhoud van de regeling per een nader te bepalen tijdstip op vijf punten aangepast.
De voorwaarde dat de arbeidsduur tenminste 14,4 uren per week moet bedragen komt te vervallen. Dit betekent dat alle ambtenaren ongeacht de omvang van hun aanstelling voortaan aanspraak hebben op ouderschapsverlof, mits aan de overige in de regeling neergelegde voorwaarden is voldaan.
De leeftijdsgrens van het kind tot welke het ouderschapsverlof kan worden genoten wordt opgetrokken van vier jaar naar acht jaar. Het optrekken van de leeftijdsgrens naar acht jaar brengt niet met zich dat ouderschapsverlof dat reeds genoten is toen het kind 0 tot 4 jaar was opnieuw kan worden genoten voor hetzelfde kind omdat het nu in de leeftijdscategorie van vijf tot acht jaar valt. Het recht op ouderschapsverlof kan slechts eenmaal worden genoten voor hetzelfde kind.
Wanneer de dienstbetrekking in het buitenland wordt vervuld kan ouderschapsverlof worden genoten tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten.
De voorwaarde dat de aangesloten verlofperiode niet langer dan een jaar is, komt te vervallen. De enige begrenzing van de periode waarover het verlof aangesloten dient te worden genoten, is de leeftijd van het kind tot welke het ouderschapsverlof kan worden genoten. Dit betekent dat het ouderschapsverlof op verzoek van de ambtenaar over meerdere jaren kan worden genoten. In principe dient het bevoegd gezag met zo’n verzoek in te stemmen tenzij gewichtige redenen van dienstbelang zich daartegen verzetten.
Tenslotte wordt ter bevordering van de mobiliteit of in andere bijzondere gevallen het management de mogelijkheid geboden om af te zien van de verplichting tot terugbetaling van de bezoldiging over de genoten verlofuren.
De bescherming en bevordering van de integriteit van het openbaar bestuur geniet de laatste jaren toenemende aandacht. Met betrekking tot dit onderwerp zijn en worden diverse activiteiten in gang gezet. In dit kader zijn ter zake van de twee volgende onderwerpen afspraken gemaakt.
Ten aanzien van het onderwerp nevenwerkzaamheden is een voorstel van wet tot wijziging van de Ambtenarenwet en de Militaire ambtenarenwet 1931 bij het parlement aanhangig gemaakt.
Het voorstel, dat thans bij de Eerste Kamer in behandeling is, voorziet in een formeel wettelijke basis voor:
de melding en registratie van nevenwerkzaamheden die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken;
het verbieden van nevenwerkzaamheden waardoor de goede vervulling van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met de functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.
Na de totstandkoming van de wijziging van de Ambtenarenwet zal het hiervoor bedoelde verbod tot het vervullen van bepaalde neven-werkzaamheden op een nog nader te bepalen tijdstip in het ARAR opgenomen worden. Het ARAR zal eveneens worden uitgebreid met bepalingen omtrent melding en registratie. Het handelt in dit verband om de artikelen 61, 63 en 63a van het ARAR.
Één van de rechtspositionele instrumenten waarvan ook mag worden verwacht dat het een zinvolle bijdrage kan leveren aan het integriteitsbeleid is de eed of de belofte. Immers, het afleggen van de eed of belofte is bij uitstek een gelegenheid voor de overheidswerkgever om te wijzen op het belang van de overheid als handhaver van de democratische en rechtsstatelijke waarden. Een middel dus dat kan bijdragen aan het zich meer bewust worden van de ambtenaar van zijn bijzondere positie als overheidsdienaar en van de consequenties die dit heeft voor zijn integriteit.
Geconstateerd is echter dat de eed of belofte binnen de sector Rijk eerherstel behoeft.
De in het ARAR opgenomen bepaling terzake (artikel 51) zal zodanig worden aangescherpt dat daaruit de verplichting omtrent de aflegging van een eed of een belofte rechtstreeks blijkt. Voorts zal hieraan een verplichting worden gekoppeld voor het bevoegd gezag om met betrekking tot de aflegging van de eed of belofte regels te stellen. Deze wijziging gaat in op een nog nader te bepalen tijdstip.
De bedragen inzake representatievergoeding vermeld in het Besluit vergoeding representatiekosten rijkspersoneel worden met terugwerkende kracht tot en met 1 januari 1997 overeenkomstig de geldende index verhoogd met 15,7%.
Artikel VI
Overige onderwerpen (onderdeel 7 van de overeenkomst)
Onderdeel van Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1997-1999· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 30 mei 1997