In het verlengde van het najaarsoverleg tussen de sociale partners is in de CAO overeengekomen om gedurende de looptijd van de CAO een inspanning te plegen om 100 werkzoekenden te laten instromen op het niveau van salarisschaal 1 en 2. Uitgangspunt is dat deze functies passend moeten zijn binnen de bedrijfsvoering van de ministeries. Het A&O-fonds sector Rijk zal een plan van aanpak ontwikkelen voor volledige financiering van deze functies. Deze financiering is structureel, indien deze functies onder de reikwijdte van de Melkert-1 regeling kunnen vallen. Het betreft dan met name functies binnen de overheidsgebouwen, waarin ten minste voor ongeveer 60% toezichthoudende en/of onderhoudselementen zijn opgenomen. In alle overige gevallen is voor het scheppen van functies op schaal 1 en 2 tijdelijke, maar volledige financiering door het A&O-fonds sector Rijk voorhanden. Het A&O-fonds sector Rijk zal in haar subsidiebrief voor het jaar 1998 de ministeries nader informeren over het plan van aanpak. De realisatie van dit plan vergt een forse inspanning van de werkgevers en de (vertegenwoordigers van de) werknemers.
In het kader van de Wet Bevordering Evenredige Arbeidsdeelname Allochtonen wordt het voorkeursbeleid ten aanzien van allochtonen voortgezet, waarbij met name aandacht besteed zal moeten worden aan evenredige vertegenwoordiging van allochtonen op alle functieniveaus. In de nota ’Mensen en management 1997’ zal de Tweede Kamer geïnformeerd worden over de realisatiecijfers van 1996. Deze informatie is gebaseerd op de opgaven van de afzonderlijke ministeries, waartoe al afspraken zijn gemaakt.
Een plan van aanpak is in voorbereiding voor de instroom van enkele honderden pas afgestudeerde HBO-ers en WO-ers op tijdelijke, bovenformatieve plaatsen in de rijksdienst volgens een trainee-formule. Het plan van aanpak wordt in overleg met de directies Personeelszaken van de ministeries voorbereid en medio 1997 ter besluitvorming aangeboden aan de ministerraad. Het streven is om de feitelijke instroom aan te laten vangen in 1998. Op basis van de toedeling van het aantal trainees aan de ministeries zal het beschikbare budget worden verdeeld over de departementale personeelsbudgetten.
Afgesproken is om de doeltreffendheid van de scholingsinspanningen bij de sector Rijk te bevorderen, onder meer door in de ondernemingsraden afspraken te maken over de inbedding van scholing in het sociaal beleid en de reguliere personeelsontwikkeling. Maar ook tussen het lijnmanagement en de individuele medewerker zal scholing onderwerp van gesprek moeten zijn, onder meer in de functioneringsgesprekken.
De artikelen 49k ARAR (verplichting tot om-, her- en bijscholing voor herplaatsingskandidaten), 66a ARAR (terugbetaling van kosten van verplichte scholing) en 75 ARAR (studiefaciliteiten bij vrijwillige scholing) en de Studiefaciliteitenregeling komen te vervallen.
In het nieuwe artikel 59 ARAR wordt tot uitdrukking gebracht dat de ambtenaar in alle gevallen tot het volgen van scholing kan worden verplicht indien het dienstbelang dat wenselijk maakt. Voorts is daarin geregeld op welke scholingsfaciliteiten de ambtenaar aanspraak kan maken indien hij verplicht gestelde scholing volgt. Het nieuwe artikel 60 ARAR biedt het bevoegde gezag de mogelijkheid om scholingsfaciliteiten toe te kennen aan de ambtenaar die op eigen initiatief scholing gaat volgen waarbij het belang van de dienst is gebaat. Door mij zullen omtrent de nieuwe artikelen 59 en 60 geen nadere regels worden vastgesteld. De wijziging gaat in op 1 januari 1998.
Thans is de Gemeenschappelijke Vacaturebank Rijksdienst (GVR) beschikbaar, specifiek ter facilitering van het (interdepartementale) herplaatsingsbeleid. Het streven is om de GVR in de contractperiode om te bouwen naar een mobiliteitsbank, die het inzicht in de arbeidsmarkt kan vergroten en de mobiliteit van het rijkspersoneel in brede zin kan bevorderen.
Ambtenaren die in het kader van een reorganisatie in een passende functie worden geplaatst of herplaatst en voor wie als gevolg daarvan de afstand tussen de woning en het werk toeneemt, komen momenteel ingevolge de artikelen 49m, 49n en 49q ARAR in aanmerking voor een extra tegemoetkoming in de kosten van hun woon-werkverkeer of verhuizing. Ter bevordering van de geografische mobiliteit wordt het bevoegd gezag per een nader te bepalen tijdstip de mogelijkheid geboden om deze extra tegemoetkomingen geheel of gedeeltelijk ook toe te kennen aan ambtenaren die anders dan in het kader van een reorganisatie in een andere functie worden geplaatst of herplaatst. Deze tegemoetkomingen worden opgenomen in artikel 12e van het Verplaatsingskostenbesluit 1989. In verband hiermee worden de tegemoetkomingen bedoeld in de artikelen 49m en 49n van het ARAR eveneens ondergebracht in het Verplaatsingskostenbesluit 1989 (artikel 12c en 12d).
Artikel V
Inzetbaarheid en arbeidsmarktbeleid
Onderdeel van Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1997-1999· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 30 mei 1997