Aan de Tweede Kamer is voorgesteld dat de WAO met ingang van een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip wordt opengesteld voor het overheidspersoneel. Hierbij wordt door het kabinet uitgegaan van 1 januari 1998. Het gaat dan om de WAO inclusief de maatregelen van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba). De Eerste Kamer der Staten-Generaal heeft recentelijk Pemba aanvaard en Pemba zal per 1 januari 1998 van kracht worden.
Pemba leidt er toe dat de AAW vervalt als volksverzekering en dat die voor werknemers wordt geïntegreerd in de WAO. Pemba leidt ook tot een andere financiering van de WAO. Deze nieuwe financiering van de WAO moet ook voor de overheid gelden en daarom is 1 januari 1998 voor het kabinet een harde datum voor de invoering van de WAO voor het overheidspersoneel.
Met ingang van 1 januari 1998 heeft het overheidspersoneel ingeval van arbeidsongeschiktheid recht op een WAO-uitkering. Zowel de AAW als de WAO-conforme regeling komen te vervallen. Voor het overheidspersoneel gelden verder alle in de WAO opgenomen overige rechten en verplichtingen. Achtereenvolgens wordt hieronder ingegaan op de wijzigingen in de financiering van de WAO, de verantwoordelijkheid voor de uitvoering en de loonkosten- en inkomensneutraliteit invoering Pemba.
In de financiering van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen treden als gevolg van Pemba wijzigingen op. Kort samengevat ziet de financiering van de WAO na het van kracht worden van Pemba er met ingang van 1 januari 1998 als volgt uit:
De op 31 december 1997 bestaande arbeidsongeschiktheidsuitkeringen (inclusief die van de overheid) komen ten laste van het fonds van de WAO, het Arbeidsongeschiktheidsfonds (AOF). Het AOF wordt gevoed door middel van de basispremie WAO (een premie met een landelijk, inclusief de overheidswerkgevers, gemiddeld premiepercentage).
Het AOF draagt de lasten van de op of na 1 januari 1998 ingaande WAO-uitkeringen (’nieuwe uitkeringen’) met ingang van het zesde jaar van de looptijd van die nieuwe uitkeringen.
Het AOF bekostigt eveneens de werkvoorzieningen en de gecombineerde werk/leefvoorzieningen uit hoofde van de WAO.
Ten laste van de Arbeidsongeschiktheidskas (AOK) van de WAO komen gedurende maximaal de eerste vijf jaar de kosten van een ’nieuwe uitkering’: de werknemers die op of ná 1 januari 1998 in de WAO komen. De AOK wordt gevoed met de zogenoemde gedifferentieerde premie WAO. Bij het berekenen van deze premie spelen twee componenten een rol: een landelijk gemiddeld premiepercentage (ook wel de rekenpremie genoemd) en een individuele opslag of korting. Het landelijk gemiddelde premiepercentage wordt vastgesteld op basis van de arbeidsongeschiktheidslasten voor uitkeringen die zijn verstrekt. Het betreft hier alleen de uitkeringen met een duur van minder dan vijf jaar. De opslag of korting is afhankelijk van het arbeidsongeschiktheidsrisico van de werkgever over de afgelopen vijf jaar. Had een werkgever bijvoorbeeld tijdens die periode een lager arbeidsongeschiktheidsrisico dan gemiddeld dan krijgt de werkgever een korting op de premie. Is het risico hoger dan gemiddeld dan wordt de premie verhoogd met een opslag. Het percentage van de opslag of korting wordt per werkgever individueel vastgesteld. Voor de gedifferentieerde premie geldt overigens een maximum- en een minimumpremiepercentage.
De werkgever kan er op een gegeven moment (ook na 1 januari 1998) echter ook voor kiezen om voor de eerste vijf jaar van de nieuwe uitkeringen eigen-risicodrager WAO te worden (zie voor de voorwaarden bijlage). De werkgever/eigen-risicodrager is enkel de basispremie WAO (zie A.1) verschuldigd, niet de gedifferentieerde premie WAO (zie B). Voor de werknemers die op het moment dat zij ziek werden bij hem in dienst waren en die vervolgens arbeidsongeschikt worden, neemt de werkgever/eigen-risicodrager gedurende de periode van vijf jaar de kosten van de WAO-uitkeringen voor zijn rekening. Tot die kosten horen ook de werkgeverslasten die over de betreffende uitkeringen verschuldigd zijn. Wat betreft de WAO-uitkering behoren tot die werkgeverslasten de basispremie en de zogenaamde rekenpremie (zie B).
De werkgever kan overigens geen eigen-risicodrager worden voor de op 31 december 1997 bestaande WAO-uitkeringen noch voor lasten van de nieuwe WAO-uitkeringen die langer dan vijf jaar lopen; enkel voor de ’nieuwe uitkeringen’ gedurende de eerste vijf jaar van de looptijd van de uitkering.
De AAW (die nu nog een ’onderbouw’ vormt in de WAO-uitkering) verdwijnt. Hierdoor komt een einde aan de bestaande dubbele uitvoering van de AAW en de WAO ten aanzien van werknemers. De franchise in de WAO verdwijnt eveneens. De WAO vormt voortaan de enige wettelijke arbeids-ongeschiktheidsregeling voor werknemers.
De huidige WAO-premie komt volledig voor rekening van de werknemers. Op grond van Pemba wordt de WAO-premie echter een volledige werkgeverspremie zonder werknemersdeel. Het is niet toegestaan om een deel van die werkgeverspremie te verhalen op de werknemer. Voor overheidswerkgevers betekent dit dat de FAOP-premie wordt vervangen door de WAO-premie (die geen franchise meer kent) en verder dat de bestaande inhouding ter zake van arbeidsongeschiktheid (de zogenaamde pseudo-premie WAO) vervalt. Omdat de AAW verdwijnt, worden correcties in de belastingtarieven doorgevoerd (zie verder onder b).
Het Lisv is verantwoordelijk voor de uitvoering van de WAO (inclusief overheidspersoneel). Het sluit voor die uitvoering een overeenkomst met een uitvoeringsinstelling in de zin van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997 (Osv 1997). Naar verwachting zal dat de USZO zijn. Verder is het Lisv beheerder van de sociale fondsen waaronder het AOF en de AOK.
De invoering van de WAO betekent het einde van de WAO-conforme regeling. Het Fonds arbeidsongeschiktheidsverzekering overheidspersoneel (FAOP) heeft derhalve per 1 januari 1998 geen taak meer. De financiering van de WAO-lasten van zowel de overheid als de marktsector geschiedt vervolgens vanuit het AOF en de AOK.
Een deel van het beschikbare FAOP-vermogen, dat is opgebouwd uit werkgeverspremies, zal als bijdrage in de wettelijke reserve worden overgeheveld naar de WAO-fondsen. Het daarna resterende vermogen van het FAOP zal in 1998 worden teruggegeven aan de overheidswerkgevers. De wijze waarop dat zal gebeuren en de omvang van de terug te geven gelden zullen in overleg met het FAOP nog nader bekend worden gemaakt.
Per 1 januari 1998 geldt wat betreft de arbeidsongeschiktheid een uniform financieringsregime voor overheid en marktsector. Dat zal het financierings-regime zijn zoals dat geldt na de inwerkingtreding van Pemba. De invoering van Pemba zal zoveel mogelijk loonkosten- en koopkrachtneutraal verlopen. Om dat te bereiken:
worden de werkgevers tegemoetgekomen door een verlaging van de overhevelingstoeslag;
worden correcties in de belastingtarieven doorgevoerd; en
wordt in het werkgeversdeel van de Awf-premie (ten behoeve van het Algemene werkloosheidsfonds) en in het werknemersdeel van de Wgf-premie (ten behoeve van het Wachtgeldfonds) een franchise geïntroduceerd in de WW (en dus ook in de pseudo-premie WW).
Omdat het arbeidsongeschiktheidsrisico van de overheid lager is dan dat van de markt, betekent de overgang van eigen-risicodragerschap naar de verevening die het uniforme financierings-regime inhoudt, voor de overheid extra kosten. Voor zover de loonkosten van de overheidswerkgevers worden gefinancierd vanuit de algemene middelen worden zij in de kosten van deze verevening tegemoetgekomen.
De WAO-conforme regeling is nagenoeg gelijk aan de WAO. Er zijn echter wel verschillen, met name wat betreft het dagloon en de grondslag voor de premieheffing. De deeltijdfactor wordt niet gehanteerd in het systeem van de sociale verzekeringen waartoe ook de WAO behoort. In dat systeem is het gebruikelijk om zowel de aanspraken als de premieheffing te bepalen op basis van het loon per dag en het aantal gewerkte dagen in een bepaald tijdvak.
Wat de grondslag voor de WAO-uitkering betreft (de uitkeringsgrondslag) wordt per 1 januari 1998 het dagloon van de WAO ingevoerd. Voor de WAO-uitkering is het dagloon het loon dat de werknemer over de periode van een jaar gemiddeld per dag kan verdienen in het beroep dat hij gewoonlijk uitoefende voor de aanvang van de WAO-uitkering.
De thans nog bestaande mogelijkheid van bepaling van het WAO-conforme dagloon met toepassing van de deeltijdfactor komt door de invoering van de WAO te vervallen.
De invoering van het WAO-dagloon betekent voor de salarisadministraties dat zij derhalve met ingang van 1 januari 1998 gegevens over het dagloon voor de berekening van de WAO-uitkering moeten kunnen opleveren (voor zover zij dat niet nu al kunnen in het kader van de WAO-conforme regeling). In die administraties zal per overheidswerknemer voor het dagloon bijgehouden moeten worden op hoeveel dagen in de week arbeid verricht wordt. Het loon per dag hoeft niet te worden bijgehouden. Om het dagloon WAO vast te stellen dient namelijk het totale loon per kalenderjaar te worden gedeeld door het aantal gewerkte dagen.
Deze registratie van gewerkte dagen zal overigens later ook gebruikt moeten worden om in het kader van de WW-beoordeling aan de arbeidsverleden-eis te toetsen. Over de uitvoeringsspecifieke aspecten zal de USZO u nader informeren.
Het bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel OOW houdt nog in dat de werkgevers met ingang van 1 januari 1998, bij de invoering van de WAO, ook bij de premieheffing zouden moeten omschakelen op de dagensystematiek (dat wil zeggen: premieheffing per dag over het op die dag door de werknemer verdiende loon). Inmiddels is echter sprake van nieuwe ontwikkelingen die er toe zullen leiden dat dit element van het wetsvoorstel bij nota van wijziging zal worden geschrapt.
Het ministerie van SZW werkt sinds enige tijd aan vervanging van de dagensystematiek bij de premieheffing door een vereenvoudigde systematiek. Er wordt naar gestreefd die vereenvoudigde systematiek per 1 januari 1999 in te voeren. Voorkomen moet worden dat de overheidswerkgevers kort na elkaar geconfronteerd worden met twee wijzigingen in de systematiek van de premieheffing.
In het wetsvoorstel OOW zal daarom bij nota van wijziging worden opgenomen dat de premieheffing bij overheidswerkgevers vooralsnog zal plaatsvinden met toepassing van de deeltijdfactor.
Dit betekent dat er bij inwerkingtreding van de Wet OOW voor de overheid geen sprake zal zijn van invoering van de dagensystematiek bij de premieheffing WAO per 1 januari 1998. Vooralsnog zal het premieloon WAO worden bepaald met toepassing van de deeltijdfactor.
Ik merk voor de duidelijkheid op dat de nota van wijziging nog door het kabinet moet worden aanvaard en nog niet is ingediend bij de Tweede Kamer. Deze mededelingen over de deeltijdfactor in relatie tot de premieheffing WAO zijn dan ook onder voorbehoud.
In de sociale verzekeringen is de werkgever het aangrijpingspunt van de premieplicht van de WAO (en later ook van de WW). Dit aangrijpingspunt is van belang voor de afbakening van de loonsom van de verschillende werkgevers, voor de verplichtingen op grond van de WAO van de werkgever, e.d. Zo is de basispremie WAO verschuldigd door de werkgever. In het kader van Pemba wordt bij de individuele werkgever verder een gedifferentieerde premie in rekening gebracht voor de op of na 1 januari 1998 ingegane, nieuwe WAO-uitkeringen van zijn werknemers. Voor de vaststelling van de verschillende premies moet de loonsom per werkgever worden vastgesteld.
In het wetsvoorstel is de volgende omschrijving van de overheidswerkgever opgenomen: ’het orgaan van een publiekrechtelijk lichaam dan wel het privaatrechtelijk lichaam dat de overheidswerknemer heeft aangesteld of in dienst heeft genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht en dat de overheidswerknemer rechtstreeks ten laste van dat lichaam bezoldigt of beloont’.
Deze omschrijving komt enerzijds overeen met het begrip werkgever in de werknemersverzekeringen en sluit anderzijds nauw aan bij de bestaande indeling op basis van de administratie van het pensioenfonds ABP.
Doordat het begrip ’overheidswerkgever’ in het wetsvoorstel OOW op deze wijze is omschreven en zo wordt toegepast in het kader van de WAO, treedt er in de indeling van de overheid naar werkgevers niet of nauwelijks wijziging op.
Dit houdt voor de sector Rijk in dat de ministeries (met uitzondering van het ministerie van Defensie) en de Hoge Colleges van Staat als werkgever worden aangemerkt.
Artikel 3
Arbeidsongeschiktheid
Onderdeel van Circulaire Overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen (OOW-operatie)· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 4 juli 1997