Naar hoofdinhoud

Artikel 1.1

Inleiding

Onderdeel van Regeling inzake kredietverlening· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 30 juni 1997

In het arrest van 27 oktober 1993, in zaak C-281/91, BNB 1994/95, heeft het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen geoordeeld ‘dat artikel 13 B, sub d, 1, van de Zesde Richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een leverancier van goederen of diensten die zijn cliënt tegen vergoeding van rente uitstel van betaling verleent, in beginsel een vrijgesteld krediet in de zin van die bepaling verstrekt. Wanneer echter een leverancier van goederen of diensten zijn cliënt tegen vergoeding van rente slechts tot het tijdstip van levering uitstel van betaling verleent, is die rente geen vergoeding voor een kredietverlening, maar een element van de voor de levering van de goederen of de dienstverrichting verkregen tegenprestatie, in de zin van artikel 11 A, lid 1, sub a, van de Zesde Richtlijn’. In het arrest van 12 januari 1994, nr. 27.258, BNB 1994/96, heeft de Hoge Raad op basis van dit arrest van het Hof van Justitie geoordeeld dat ‘in een geval waarin in het kader van koop/aannemingsovereenkomsten aan kopers, opdrachtgevers uitstel van betaling is verleend ter zake van het voor de grond bij het sluiten van de overeenkomst of op een kort daarna gelegen tijdstip verschuldigd geworden bedrag tot aan het tijdstip van de levering van de grond – met de daarop gebouwde of in aanbouw zijnde opstal – of van het appartementsrecht, de uit dien hoofde verschuldigde rente niet kan worden aangemerkt als een (vrijgestelde) vergoeding voor de verlening van krediet als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter j, onder 1°, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet), doch moet die rente mede in de maatstaf van heffing voor de levering van de grond of het appartementsrecht worden begrepen.’

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel