Naar hoofdinhoud

Artikel 1.2

Kredietverlening als afzonderlijke nevenprestatie

Onderdeel van Regeling inzake kredietverlening· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 30 juni 1997

Ingevolge het arrest van het Hof van Justitie van 27 oktober 1993 zijn de volgende elementen van belang bij het onderkennen van vrijgestelde kredietverlening naast een belaste hoofdprestatie. In de eerste plaats moet het gaan om een door de leverancier of dienstverrichter tegen vergoeding van rente verleend ‘uitstel van betaling’. In de tweede plaats moet dit uitstel betrekking hebben op een periode die is gelegen na het tijdstip waarop de hoofdprestatie (de levering van goederen of de dienst) wordt verricht. Van verleend uitstel van betaling door de leverancier of dienstverrichter is sprake wanneer de leverancier of dienstverrichter bij een op zichzelf staande contractuele regeling krediet verleent voor de gehele, voor de levering of dienst, overeengekomen vergoeding, of van een gedeelte daarvan, voor een bepaalde tijd en tegen een gespecificeerd rentepercentage. Het vereiste dat sprake is van een op zichzelf staande contractuele kredietregeling betekent niet dat er, naast de overeenkomst tot levering of dienstverrichting, een afzonderlijke kredietverleningsovereenkomst wordt gesloten. In zijn algemeenheid zal sprake zijn van door de leverancier verleend uitstel tot betaling wanneer bijvoorbeeld een overeenkomst tot levering van goederen één of meer specifieke bepalingen bevat die de koper een kredietfaciliteit bieden en precies de voorwaarden vermelden waaronder het krediet wordt verleend, met inbegrip van het rentepercentage (vergelijk § 12 van de conclusie van de Advocaat-Generaal bij het arrest van het Hof van Justitie). Voor het onderkennen van vrijgestelde kredietverlening is het niet noodzakelijk dat het krediet wordt verleend door een ander dan de leverancier of dienstverrichter (rechtsoverweging 13 van het Hof van Justitie). Het oordeel van het Hof van Justitie is gebaseerd op het uitgangspunt dat de financieringskosten die de leverancier of dienstverrichter moet maken tot het tijdstip van de levering of dienstverrichting, aan de afnemer van de prestatie worden doorberekend als onderdeel van de voor de levering of dienst overeengekomen vergoeding. Zoals de Advocaat-Generaal in de conclusie bij het arrest van het Hof van Justitie heeft aangegeven, kan de leverancier of dienstverrichter BTW-heffing over een gedeelte van de vergoeding voor goederen of diensten niet ontgaan door van de afnemer vooruitbetalingen te vragen en vervolgens deze betalingen, tegen vergoeding van rente, op te schuiven tot het tijdstip van de levering of van de dienstverrichting. Voor de toepassing van het arrest van het Hof van Justitie heeft als uitgangspunt te gelden dat leveringen worden verricht op het tijdstip waarop de vervreemder de feitelijke macht om als eigenaar over dat goed te beschikken, overdraagt aan de verkrijger of, wanneer het gaat om huurkoop, op het tijdstip waarop de huurverkoper het huurkoopgoed afgeeft. Voor diensten heeft als uitgangspunt te gelden dat deze worden verricht op het tijdstip waarop de met de dienst gemoeide werkzaamheden zijn voltooid, of, in het geval van het achtereenvolgens verrichten van verschillende diensten (doorlopende diensten), telkens wanneer de met de te onderscheiden diensten gemoeide werkzaamheden zijn voltooid.

Rechtspraak bij dit artikel