Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Ingreep in SGR-gebied: twee facetten en uitwerking.

Onderdeel van Beleidsregel natuurcompensatie en Tracéwet· Ruimtelijke ordening en milieu

Deze tekst geldt sinds 1 september 1998

Wordt in de procedure op grond van de Tracéwet gekozen voor een ingreep in een SGR-gebied, dan dienen twee facetten uitdrukkelijk aan de orde te komen. In de eerste plaats zal vanuit het ’nee-tenzij’-principe van het SGR gemotiveerd moeten worden aangegeven op grond van welk aantoonbaar maatschappelijk belang de aanleg van het werk in het gebied noodzakelijk is. Daarbij zal tevens moeten worden beargumenteerd dat er geen alternatieven zijn. De motivering is gebaseerd op de trajectnota/MER, waarin op globale wijze de consequenties van het compensatiebeginsel voor elk van de onderscheiden alternatieven en varianten zijn weergegeven. De motivering dient gestalte te krijgen in de toelichting op het tracébesluit. Is die noodzaak aangetoond, dan dient de initiatiefnemer in de tweede plaats het verlies aan natuur, bos en/of recreatie zoveel mogelijk te mitigeren en, indien dat onvoldoende is, te compenseren. In dat geval rijst de vraag in welke mate de te treffen maatregelen in het tracébesluit aan de orde moeten komen. Hiervoor is al gewezen op artikel 1, eerste lid, onder h, van de Tracéwet, waaruit volgt dat het verloop en de geografische omvang van een aan te leggen of te wijzigen hoofdweg, landelijke railweg of hoofdvaarweg op één of meer topografische of geografische kaarten moet worden aangeduid. Gelet op het feit dat mitigerende maatregelen direct aan, op of onder het werk zelf worden getroffen, kan hier niet worden volstaan met alleen een beschrijving. De mitigerende maatregelen moeten in het tracébesluit worden vastgesteld en het ruimtebeslag moet op de kaarten worden aangeduid. Dit geldt ook voor mitigerende maatregelen in verband met de landschappelijke inlassing. Compenserende maatregelen kunnen buiten het beheersgebied van een werk liggen, maar dat hoeft niet. Dergelijke maatregelen kunnen, via de uitwerking van het compensatiebeginsel in een landschapsplan, ook aan het tracé van een werk worden getroffen. Is dat het geval, dan dienen de compenserende maatregelen op gelijke wijze als de mitigerende maatregelen in het tracébesluit en de bijbehorende kaarten te worden behandeld. Met andere woorden: compenserende maatregelen die aan het tracé worden getroffen, moeten in het tracébesluit worden vastgesteld en het ruimtebeslag moet op de kaarten worden aangeduid. Compenserende maatregelen die niet aan het werk worden getroffen dienen niet in het tracébesluit te worden vastgesteld, maar moeten op grond van de Tracéwet nauwkeurig worden beschreven. Deze beschrijving kan vorm krijgen in een hoofdstuk of paragraaf in de toelichting op het tracébesluit of in een als bijlage bij de toelichting op het tracébesluit te voegen compensatieplan. In de beschrijving dient zoveel mogelijk de inhoud van de compensatie aan de orde te komen, alsmede het proces waarlangs de compensatie zal worden gerealiseerd (zie hierna onder 4). In alle gevallen moet een einddatum worden genoemd, waarop de compensatie gerealiseerd dient te zijn.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel