Naar hoofdinhoud

Artikel E

Uitdelingsaspecten

Onderdeel van Vragen en antwoorden over kapitaalverzekeringen afgesloten met de eigen BV· Belastingrecht

Deze tekst geldt sinds 9 juli 1998

In het Besluit wordt gesteld dat winstdelingen die zijn terug te voeren op winsten door de BV behaald uit andere hoofde dan de ter zake van de premies behaalde rendementen, uitdelingen vormen op het tijdstip waarop deze onderdeel gaan uitmaken van de overeenkomst. Voorts wordt in het Besluit gesteld dat die winstdelingen uiteindelijk geen kapitaalsuitkeringen uit levensverzekering vormen, zodat ter zake geen vrijstelling kan gelden. Ontstaat alsdan uiteindelijk geen dubbele heffing? Dubbele heffing vindt niet plaats. De bijgeschreven winstdeling wordt tot het inkomen gerekend. In feite ontstaat hiermee een soort kapitaalelement of vordering op de BV – een bron van inkomen – tot dat bedrag. Dat bedrag wordt derhalve nimmer meer in de heffing betrokken. Uitsluitend een overschot boven dat bedrag – het rente-element – wordt nog tot het inkomen gerekend. Zie ook vraag E.2. Indien winstdelingen als uitdelingen zijn aangemerkt – zie vraag E.1 – leveren ook die uitdelingen in de toekomst een te belasten rente-element op. Op welk tijdstip dienen dergelijke oprentingen in het inkomen te worden begrepen? In het Besluit – zie paragraaf 7 onder ‘Winstdelingen’ en paragraaf 6 onder ‘Genietingstijdstip bij ontbreken karakter kapitaalverzekering’ – is aangegeven dat zekerheidshalve de oprenting telkenjare tot het inkomen dient te worden gerekend. Achtergrond hiervan is dat de oprentingen zelf, naar mag worden aangenomen, op grond van de overeenkomst met de BV rentedragend zijn geworden. Het is evenwel goed mogelijk dat de rechter in een concreet geval de overeenkomst met de BV zo uitlegt dat in civielrechtelijke zin sprake is van één rentetermijn gedurende de gehele looptijd van de overeenkomst. Alsdan wordt het totale rente-element ineens bij expiratie – of eerdere beëindiging van de overeenkomst genoten. Vergelijk in deze HR 2 juni 1993, BNB 1993/248. Hoe moet worden omgegaan met winstbijschrijvingen op een kapitaalverzekering bij een eigen BV die een onderneming uitoefent? Zijn ongelimiteerde winstbijschrijvingen mogelijk? De mogelijkheid dat ongelimiteerde winstbijschrijvingen kunnen plaatsvinden, kan niet als zakelijk worden aangemerkt. Verwezen zij naar paragraaf 7 van het Besluit. In de situaties waarin de digra met zijn BV een kapitaalverzekering sluit kunnen zich lastige allocatievraagstukken voordoen: welk gedeelte van de in totaal door de BV behaalde winst kan daadwerkelijk worden gezien als rendement behaald op vermogen dat door middel van de premies is verschaft aan de BV? Indien belanghebbenden problemen op dit terrein willen voorkomen, geldt als richtlijn dat een winstbijschrijving tot het actuele CBS-rendement of een vergelijkbare grootheid, minus 0,5% eigen behoud voor de BV, aanvaardbaar is. Niet geheel duidelijk is op welke wijze de passage in paragraaf 7 van het Besluit over het eigen behoud van behaald rendement voor de eigen BV moet worden geïnterpreteerd. Op welke grootheid moet de 10%-norm worden toegepast en welke is de samenhang tussen die norm en het 0,5%-criterium. De 10%-norm – in het Besluit wordt gesteld dat ten hoogste 90% van de rendementen onderdeel mag gaan uitmaken van de verzekering – wordt toegepast op het behaalde rendement verminderd met het gegarandeerde rendement. De 0,5%-norm wordt toegepast op de beleggingswaarde van de verzekering. Uitgangspunt is de 10%-norm, de 0,5%-norm fungeert ten opzichte daarvan als een minimum-positie. Een voorbeeld moge deze systematiek verduidelijken. Stel dat met betrekking tot een kapitaalverzekering louter een garantie is gegeven op basis van 4% rekenrente. In een jaar wordt door de eigen BV een rendement behaald van 8%. Toepassing van de 10%-norm op het saldo – 8% minus 4% – zou ertoe leiden dat het eigen behoud voor de BV tenminste 0,4% moet bedragen. De 0,5%-norm leidt er evenwel toe dat 0,5% in aanmerking moet worden genomen. Zou het behaalde rendement 10% belopen, dan vormt het eigen behoud voor de BV derhalve tenminste 0,6%. Mag men een combinatie van een gegarandeerd rendement groter dan 4% en een winstdeling overeenkomen? Dit is afhankelijk van de hoogte van het gegarandeerde rendement. Indien bijvoorbeeld een gegarandeerd rendement van 8% (gesteld dat dit percentage het marktrendement is bij afsluiten minus 0,5%) met een winstdeling is overeengekomen, is dit niet aanvaardbaar. De BV zou een dergelijk rendement in combinatie met een winstdeling niet aan een onafhankelijke derde aanbieden. Indien men een laag gegarandeerd rendement afspreekt van 4 of maximaal 5% dan kan er daarboven op nog een winstdeling afgesproken worden mits het geheel maar niet uit gaat boven het CBS-, U- of T-rendement minus het vereiste eigen behoud voor de BV. Samenvattend zijn er twee situaties te onderscheiden: of het CBS-/T-/U-rendement op het moment van afsluiten van de overeenkomst is voor de gehele looptijd gegarandeerd, een winstdeling daarboven op is dan niet mogelijk; of er is (in de markt gebruikelijk) sprake van een gegarandeerde rente van maximaal 5% met winstdeling. Steeds dient te worden voldaan aan het minimum-eigen-behoudvereiste. Zie het antwoord op vraag E.4. Op welke wijze dienen de onder E.4 genoemde normen te worden toegepast op zogenoemde Unit Linked Producten of fractieverzekeringen? Een dergelijke verzekering kent in het algemeen geen winstdeling aangezien voor de bepaling van de omvang van de kapitaalsuitkering wordt aangesloten bij de waarde van de bestanddelen waarin de premies zijn belegd of herbelegd. Hetgeen in het Besluit is gesteld met betrekking tot de 10%- en 0,5%-norm is dan ook op dergelijke kapitaalverzekeringen niet van toepassing. Voor de bepaling van hetgeen voor dergelijke verzekeringen aan de eigen BV tenminste moet toekomen, dient aansluiting te worden gezocht bij hetgeen ter zake gebruikelijk is bij professionele verzekeraars. Deze brengen in dergelijke gevallen bewaarloon, administratiekosten, beleggingsmutatiekosten en dergelijke in rekening. Indien met de eigen BV een ‘spaarhypotheek’ is aangegaan, welk rentepercentage dient alsdan met betrekking tot de hypotheekrente en de kapitaalverzekering te worden gehanteerd? Zie ook het antwoord op vraag F.2. Uitgangspunt is dat acceptabel is hetgeen in de markt bij professionele instellingen gebruikelijk is. Dit brengt mee dat de percentages voor de verschuldigde hypotheekrente en voor het te genereren rendement op de kapitaalverzekering gelijk kunnen zijn. Ook komt in de markt voor dat het rendement op de kapitaalverzekering iets lager is dan overeenkomt met het percentage hypotheekrente. Indien onvoldoende hypothecaire zekerheid kan worden gegeven door de digra zal door de BV een opslagrente ter zake van de geldlening dienen te worden berekend. Deze opslag dient geen onderdeel uit te maken van het op de premies voor de kapitaalverzekering te behalen rendement. Indien dat wel het geval is, is in zoverre sprake van een uitdeling.

Rechtspraak bij dit artikel