In het kader van deregulering zijn de volgende afspraken gemaakt.
Van werkgeverszijde wordt een voorstel aan het SOR voorgelegd waarbij het telefoonkostenbesluit wordt aangepast aan de actuele technologische situatie. Het SOR beslist vóór 1 januari 2000 over de invoering van een nieuw telefoonkostenbesluit. Het nieuwe telefoonkostenbesluit zal de ministeries de mogelijkheid bieden om na instemming van het DGO op onderdelen hiervan af te wijken.
Afzonderlijke departementen zullen de bevoegdheid krijgen nadere regels vast te stellen in aanvulling op of in afwijking van de artikelen 33c en d van het ARAR. Over deze nadere regels zal overeenstemming met het DGO moeten worden bereikt.
Hetzelfde geldt voor de aanspraken die op grond van artikel 33e, tweede lid, van het ARAR zijn neergelegd in eerdere circulaires. Het gaat hier om:
de rondzendbrief van 5 oktober 1950 inzake buitengewoon verlof voor het bijwonen van kerkvergaderingen;
de rondzendbrief van 17 november 1953 inzake buitengewoon verlof voor rijkspersoneelsleden noodwachters i.v.m. opleiding en oefening;
de rondzendbrief van 2 februari 1960 inzake verloffaciliteiten voor rijkspersoneel dat een verbintenis heeft gesloten met het Nederlandse Rode Kruis;
de rondzendbrief van 4 juli 1977 inzake buitengewoon verlof ten behoeve van adoptie;
de circulaire van 10 maart 1982 inzake buitengewoon verlof ten behoeve van het jeugd- en jongerenwerk.
Een werkgroep van het SOR zal onderzoek doen naar mogelijke knelpunten in de inconveniëntenvergoedingen. De werkgroep bestaat uit vier vertegenwoordigers van de Samenwerkende Centrales van Overheidspersoneel en uit vier vertegenwoordigers van werkgeverszijde, waaronder de voorzitter. De werkgroep rapporteert vóór 1 januari 2000 aan het SOR. Het SOR besluit of en zo ja welke nieuwe inconveniëntenregelingen van kracht zullen worden.
In de Arbeidstijdenwet zijn bepalingen opgenomen omtrent de wekelijkse rusttijd. Het SOR zal onderzoeken of de inhoud van deze bepalingen gelijk is aan de inhoud van de bepalingen in het ARAR voor de wekelijkse rusttijden (artikel 21, lid 8, onderdelen c en d, alsmede artikel 21, lid 9). Indien dit het geval is, zullen voorstellen aan het SOR worden voorgelegd om de desbetreffende bepalingen in het ARAR in te trekken.
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan een ambtenaar bedenkingen kenbaar te maken tegen een voorgenomen disciplinaire straf. Het SOR zal onderzoeken of de inhoud van deze bepaling in het Awb gelijk is aan de inhoud van de bepaling in het ARAR inzake de verantwoording bij een disciplinaire procedure (artikel 82). Indien dit het geval is, zullen voorstellen aan het SOR worden voorgelegd om de desbetreffende bepaling in het ARAR in te trekken.
Artikel XVIII
Deregulering (onderdeel 9 van de overeenkomst)
Onderdeel van Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1999-2000· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 28 juni 1999