Er wordt een aantal maatregelen getroffen, die beogen meer zekerheid te bieden aan bepaalde groepen ambtenaren. Het gaat dan met name om ambtenaren met een tijdelijk dienstverband en om ambtenaren die een aanstelling hebben waarbij het aantal uren niet vast ligt. Het betreft de onderstaande maatregelen.
De proeftijd wordt beperkt tot een periode van maximaal twee jaar. De proeftijd kan uitsluitend worden verlengd met die periode van de proeftijd, welke de ambtenaar niet in werkelijke dienst heeft doorgebracht. In deze zin zal artikel 6, tweede lid, onder a, van het ARAR worden aangepast.
Tijdelijk aanstellingen, bij hetzelfde ministerie, die elkaar opvolgen in een periode van 36 maanden of langer met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, worden van rechtswege omgezet in een aanstelling in vaste dienst.
Meer dan drie aanstellingen bij hetzelfde ministerie die elkaar hebben opgevolgd, worden van rechtswege omgezet in een aanstelling in vaste dienst.
De in het SOR overeengekomen maatregelen onder b en c leiden ertoe, dat het derde en vierde lid van artikel 6 ARAR zullen worden gewijzigd en dat aan artikel 6 ARAR twee nieuwe leden zullen worden toegevoegd. Ten aanzien van de tijdelijke aanstellingen, die vóór het moment van inwerkingtreding van de wijziging van artikel 6 ARAR zijn verleend, wordt in het overgangsrecht een voorziening getroffen. Deze voorziening komt erop neer, dat artikel 6 ARAR, zoals dit artikel luidde voor de inwerkingtreding van de wijziging, van toepassing blijft op reeds verleende tijdelijke aanstellingen. Pas bij tijdelijke aanstellingen, die na de inwerkingtreding van de wijziging van artikel 6 ARAR worden verlengd, is artikel (nieuw) 6 ARAR onverkort van toepassing.
Met de centrales van overheidspersoneel is een verbod op nul-uren aanstellingen afgesproken. Ter uitwerking van dit verbod wordt een nieuw artikel 6b opgenomen in het ARAR en wordt artikel 11 van het BBRA 1984 aangepast. In artikel 6b ARAR zal geregeld worden dat bij een aanstelling die geschiedt voor een wisselend aantal uren altijd een aantal garantie-uren bepaald dient te worden. Het voor een ambtenaar geldende aantal garantie-uren dient vermeld te worden in zijn akte van aanstelling. In het nieuwe tweede lid van artikel 11 van het BBRA 1984 wordt geregeld dat ook indien de ambtenaar niet wordt opgeroepen of indien hij voor minder uren wordt opgeroepen dan gegarandeerd, hij recht heeft op het salaris behorend bij het voor hem geldende aantal garantie-uren.
Artikel 6b zal departementen de mogelijkheid bieden om voor bijzondere gevallen een specifieke regeling te treffen. Daartoe is de instemming van het DGO noodzakelijk.
Departementen zullen bestaande nul-uren aanstellingen vóór 1 januari 2000 aan de nieuwe regelgeving moeten aanpassen.
Voor oproepkrachten gaat in bepaalde situaties gelden dat per oproep minimaal 3 uur uitbetaald dient te worden. Het gaat dan om oproepkrachten die een aanstelling hebben waarvan de omvang niet vast staat of een aanstelling waarvan de omvang minder is dan 15 uur per week en de tijdstippen niet vaststaan. Indien een dergelijke oproepkracht wordt opgeroepen om arbeid te verrichten heeft hij minimaal recht op 3 uur salaris. Indien de oproep voor minder dan 3 uur geschiedt, zal derhalve toch over 3 uur salaris uitbetaald moeten worden. Dit recht zal worden neergelegd in artikel 11a BBRA 1984.
Teneinde de mogelijkheden voor flexibele bedrijfsvoering te vergroten hebben sociale partners in de sector Rijk afgesproken te onderzoeken of de limitatieve opsomming van tijdelijke aanstellingsgronden kan worden afgeschaft. Dit gezamenlijk onderzoek zal voor 1 januari 2000 moeten zijn afgerond. Op basis van de aanstellingspraktijk bij de departementen zal een inventarisatie van mogelijke knelpunten worden opgesteld. Het SOR zal naar aanleiding van de bevindingen van dit onderzoek bezien of de tijdelijke aanstellingsgronden kunnen worden afgeschaft dan wel kunnen worden gewijzigd.
Er zal een onderzoek worden gedaan naar nachtarbeid. In de eerste plaats zal worden geïnventariseerd in welke gevallen nachtarbeid wordt verricht en of hiervoor alternatieven aanwezig zijn. Verder wordt bekeken of het verbod op nachtarbeid voor 55+ leidt tot knelpunten in de praktijk. Ook wordt bezien in hoeverre algemene uitspraken mogelijk zijn over de medische bezwaren van nachtarbeid. Dit onderzoek zal voor 1 januari 2000 afgerond worden.
Artikel XVII
Flexibiliteit en zekerheid (onderdeel 8 van de overeenkomst)
Onderdeel van Arbeidsvoorwaarden en andere personeelsaangelegenheden in de sector Rijk 1999-2000· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 28 juni 1999