Naar hoofdinhoud

Artikel 6

Bijzondere gevallen

Onderdeel van Voorlichting over de regeling toelagen schoolleiding basisscholen· Onderwijsrecht

Deze tekst geldt sinds 17 november 1999

Voor het personeelslid met een door het bevoegd gezag vastgestelde functie waarin dat personeelslid, onder leiding van een directeur, is belast met directiewerkzaamheden, ontstaat een recht op een toelage in het geval het personeelslid werkzaam is aan een school waaraan geen directieleden met de normfunctie directeur zijn verbonden en waaraan maximaal één adjunct-directeur met een normfunctie is verbonden. Dit personeelslid vervult een niet-normfunctie die in de praktijk vaak met locatieleider wordt aangeduid. Omdat de maximumschaal van deze personeelsleden niet afhankelijk hoeft te zijn van het leerlingaantal van de school, is de hoogte van de toelage gesteld op een vast bedrag, te weten ƒ 200, – per maand. Volgens de wet op het primair onderwijs dient er aan iedere school tenminste één persoon verbonden te zijn bij wie onder verantwoordelijkheid van het bevoegd gezag de onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding berust. Voor de directeur met een niet-normfunctie die de feitelijke dagelijkse onderwijskundige, organisatorische en huishoudelijke leiding uitoefent, komt een toelage beschikbaar indien er aan de school geen normfunctie directeur is verbonden, maximaal één adjunct-directeur met een normfunctie verbonden is, en er voor die school geen zogenaamde locatieleider is benoemd. Een dergelijke directeur kan bijvoorbeeld een niet-normfunctie hebben omdat de functie bovenschoolse-, of meerschoolse-taken bevat. Omdat de maximumschaal van deze personeelsleden niet afhankelijk hoeft te zijn van het leerlingaantal van de school, is de hoogte van de toelage gesteld op een vast bedrag, te weten ƒ200, – per maand. In eerste instantie komen de directeur en de adjunct-directeur in een normfunctie in aanmerking voor de toelage. Is er aan de school geen directeur benoemd in een normfunctie dan komt de eventueel aan die school benoemde ’locatieleider’ in aanmerking voor een toelage. Voorwaarde hierbij is dat aan deze school maximaal een adjunct-directeur is benoemd en dat de locatieleider is benoemd in een door het bevoegd gezag vastgestelde niet-normfunctie waarin onder leiding van een directeur directiewerkzaamheden worden uitgevoerd. Is aan de school geen directeur in een normfunctie én geen ’locatieleider’ benoemd en is aan die school maximaal één adjunct-directeur benoemd, dan heeft de aan die school verbonden directeur (met een niet normfunctie) recht op een toelage. Leraren en adjunct-directeuren die de taken van een directeur van een basisschool volledig waarnemen omdat deze anders dan wegens vakantieverlof verhinderd is zijn werkzaamheden te verrichten, krijgen na verloop van tijd gedurende die waarneming naast het recht op het bij die functie behorende carrièrepatroon (artikel I-Q107 RPBO) eveneens recht op de bijbehorende toelage. Voor de adjunct-directeur ontstaat dit recht na een jaar volledige vervanging en voor de leraar met ingang van de 31e dag. In het geval het bevoegd gezag op basis van artikel I-Q204 lid 2 en 3 aan een instelling twee normfuncties directeur heeft ingesteld, geldt voor die beide directeuren de volledige toelage als waren zij de enige directeur. Daarbij wordt geen verschil gemaakt tussen de directeur met een maximum salarisschaal 10.10 en de directeur van een instelling een maximum salarisschaal 10.12.

Rechtspraak bij dit artikel