Neen, de wijzigingen in het systeem hebben enkel betrekking op de wijze waarop de formatie berekend wordt. De kern van het systeem blijft overeind: scholen ontvangen een hoeveelheid formatierekeneenheden, waarmee ze eigen keuzen kunnen maken over de inzet van het personeel. De tabel aan de hand waarvan bepaald wordt hoeveel fre’s uitgetrokken moeten worden voor een full-time leraar (179), een onderwijsassistent (144), een directeur enzovoort, verandert ook niet.
Enkele formatiecategorieën uit het huidige systeem zullen in de nieuwe berekeningswijze niet meer zichtbaar zijn. De formatie voor vakonderwijs, de frictieformatie en de opslag voor herbezetting in verband met adv zullen niet meer als afzonderlijke categorieën vastgesteld worden, maar opgaan in de overige formatiecategorieën (met name in de groepsformatie en de formatie voor bestrijding van onderwijsachterstanden). Ook de opslag in verband met de groepsverkleining, ingevoerd in 1997, verdwijnt als aparte formatiecategorie. Het betreffende budget gaat naar een nieuwe categorie, de onderbouwformatie.
De afschaffing van de formatiecategorieën formatie voor vakonderwijs, frictieformatie en herbezetting in verband met adv betekent natuurlijk niet dat de scholen geen vakleraren meer aan kunnen stellen of dat de scholen niet meer de plicht hebben frictieproblemen op te lossen. En uiteraard behouden ook alle personeelsleden hun adv-rechten.
In de praktijk blijken scholen al voor veel meer uren vakleraren aan te stellen dan de normen uit de bekostigings-systematiek. Door de uitbreiding van de werkgelegenheid in het basisonderwijs wordt een verdere groei verwacht. Dat is ook de reden dat een aparte norm in de bekostigingssystematiek voor het vakonderwijs niet meer nodig wordt geacht.
In plaats van een aparte opslag in verband met de groepsverkleining wordt binnen de (reguliere) groepsformatie voortaan onderscheid gemaakt tussen formatie voor de eerste vier leerjaren en formatie voor de laatste vier leerjaren. Deze worden in het vervolg aangeduid met de termen onderbouwformatie en bovenbouwformatie. De onderbouwformatie zal worden geoormerkt voor inzet in de eerste vier leerjaren. Op dit punt is er dus sprake van een inperking van de bestedingsvrijheid. Hiermee wil de overheid garanderen dat de extra middelen die de komende jaren beschikbaar komen voor de groepsverkleining besteed worden in de groepen 1 tot en met 4.
Voor leerlingen die op de teldatum 4 tot en met 7 jaar zijn, wordt in het nieuwe systeem een hogere vergoeding toegekend dan voor oudere leerlingen. Deze vergoeding wordt de onderbouwformatie genoemd. De onderbouwformatie moet geheel ingezet worden ten behoeve van de eerste vier leerjaren. Rechtmatige inzet omvat de inzet van groepsleraren en onderwijsassistenten in de groepen 1 tot en met 4. Een deel van de middelen kan benut worden voor groepsoverstijgende functies als interne begeleider, remedial teacher en vakleraar, mits deze functionarissen voor het deel van hun aanstelling dat uit de onderbouwformatie wordt betaald, ook daadwerkelijk in de eerste vier leerjaren werkzaam zijn. Uren die besteed worden aan onderbouwcoördinatie tellen natuurlijk ook mee als uren ten behoeve van de eerste vier leerjaren. Ook taken van een directeur of adjunct-directeur kunnen meetellen, mitsdeze specifiek gericht zijn op kwaliteitsverbetering van de onderbouw. Onderbouwformatie-fre’s mogen verzilverd worden, mits de verzilverde formatierekeneenheden worden ingezet ten behoeve van de onderbouw.
Indien een school door bijzondere omstandigheden meent dat zij niet kan voldoen aan de vereisten van de oormerking, kan ze zich tot de inspectie wenden. De ervaringen die de inspectie hiermee verzamelt, zullen in een latere fase een wettelijke verankering kunnen krijgen in de vorm van voorwaarden waaronder afgeweken mag worden van de oormerking. Daarmee ontstaat op termijn meer helderheid naar de scholen omtrent de gronden voor mogelijke afwijking van de oormerking.
Voorop staat dat administratieve rompslomp zoveel mogelijk voorkomen moet worden. Daarom hoeft de school vanaf komend schooljaar geen enqueteformulier groepsgrootte meer in te vullen. In de nieuwe situatie is het voldoende als de benodigde informatie over de inzet van de toegekende formatie op de school aanwezig is, zodat de instellingsaccountant en eventueel de departementale accountantsdienst de gegevens kunnen opvragen en controleren.
De vaststelling van de afzonderlijke formatiecategorieën wordt aanzienlijk vereenvoudigd. Op dit moment geldt voor vrijwel elke formatiecategorie een tabel, waarbij aan de hand van het aantal leerlingen of het aantal formatieplaatsen een bepaalde uitkomst bepaald wordt. In de nieuwe systematiek wordt voor alle categorieën een vast aantal fre’s per leerling uitgekeerd. Deze verandering wordt aangeduid met de term linearisering: er zal een lineair verband zijn tussen het aantal leerlingen en de hoogte van de formatietoekenning. Om te voorkomen dat kleine scholen hierdoor benadeeld worden, wordt een toeslag voor kleine scholen geïntroduceerd. De enige formatiecategorie die niet gelineariseerd wordt, is de salarisopslag voor de schoolleiding. Hiervoor blijft dezelfde tabel gelden als voorheen.
In de huidige systematiek wordt het aantal leerlingen op de teldatum verhoogd met drie procent. Hiermee wordt een tegemoetkoming verschaft voor de tussentijdse instroom van (vooral vier- en vijfjarige) leerlingen. In de nieuwe systematiek wordt voortaan gerekend met het feitelijke aantal leerlingen op de teldatum. De vergoeding voor tussentijdse instroom wordt verwerkt in het aantal fre’s per onderbouwleerling. Daarmee wordt een ingewikkelde stap uit de oude berekeningswijze geschrapt.
De formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden wordt in de huidige systematiek op een erg ingewikkelde manier vastgesteld, namelijk als het verschil tussen de basisformatie op grond van het gewogen aantal leerlingen en de basisformatie op grond van het ongewogen aantal leerlingen. In de nieuwe systematiek wordt de formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden voortaan afzonderlijk, los van de basisformatie, vastgesteld. Dat is niet alleen eenvoudiger, het brengt ook beter tot uitdrukking dat het hierbij gaat om een aparte opslag die voor specifieke doeleinden wordt uitgekeerd.
Omdat vrijwel alle formatiecategorieën gelineariseerd zijn, valt snel uit te rekenen op hoeveel formatie een school in totaal recht heeft. Daartoe wordt een nieuw begrip geïntroduceerd: de totale lineaire formatie. Onder totale lineaire formatie worden alle formatiecategorieën begrepen die volgens een (lineaire) formule berekend worden. Voor een doorsnee basisschool omvat de totale lineaire formatie alle formatiecategorieën met uitzondering van de salarisopslag voor de schoolleiding. Voor die laatste post blijft het noodzakelijk een tabel te raadplegen. Om te voorkomen dat er verschillen optreden tussen de berekening van de totale lineaire formatie enerzijds en de optelsom van de afzonderlijke onderdelen anderzijds, wordt bij de berekening van de afzonderlijke onderdelen geen afronding meer toegepast. Deze formatiecategorieën worden voortaan met twee cijfers achter de komma berekend en gepresenteerd. De som van alle formatiecategorieën wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal.
Als het totale budget gelijk zou blijven, zouden sommige scholen er door de nieuwe berekeningswijze enigszins op vooruit gaan, terwijl andere er enigszins op achteruit zouden gaan. Het totale budget blijft echter niet hetzelfde: tussen nu en het schooljaar 2002/2003 wordt het totale formatiebudget voor het basisonderwijs met 660 miljoen gulden verhoogd. Dat is zo’n forse verhoging dat de herverdeeleffecten van de nieuwe berekeningswijze erbij in het niet vallen. Een kleine achteruitgang in het formatiebudget is alleen mogelijk bij scholen met (vrijwel) alleen leerlingen van acht jaar en ouder.
Om te voorkomen dat scholen er als gevolg van de nieuwe berekeningswijze op achteruitgaan, zal voor de schooljaren 2000/2001 en 2001/2002 een overgangsregeling gelden. Scholen die er ondanks de extra investeringen door de nieuwe systematiek op achteruitgaan, ontvangen voor die twee schooljaren een volledige compensatie. Deze compensatie geldt alleen voor een eventuele achteruitgang als gevolg van de verandering in de berekeningswijze. Een achteruitgang als gevolg van een dalend leerlingenaantal of een kleiner aantal leerlingen met een leerlinggewicht wordt niet gecompenseerd. Of een school in aanmerking komt voor compensatie in het schooljaar 2000/2001 is te berekenen door met behulp van de telgegevens van 1 oktober 1999 zowel de oude als de nieuwe formatiesystematiek door te rekenen. Als de uitkomst bij de oude systematiek hoger is, wordt het verschil tussen beide uitkomsten als ’overgangsformatie’ aan de school uitgekeerd. Deze overgangsformatie is vrij besteedbaar (niet geoormerkt).
Een en ander betekent wel dat op een aantal scholen de eerstvolgende stap van de groepsverkleining niet merkbaar zal zijn; deze scholen ontvangen (door de genoemde compensatie) per leerling nog evenveel formatierekeneenheden als voorheen. Het gaat in 2000/2001 om ongeveer vijf procent van de scholen. In 2001/2002 zal nog maar een klein aantal scholen geen vooruitgang merken. Vanaf 2002/2003 gaan alle scholen profiteren van de extra investeringen.
Artikel 2
Belangrijkste wijzigingen
Onderdeel van Wijziging van het Formatiebesluit WPO per 1 augustus 2000· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht
Deze tekst geldt sinds 29 maart 2000