Naar hoofdinhoud

Artikel 3

Bekostigingsgrondslagen

Onderdeel van Wijziging van het Formatiebesluit WPO per 1 augustus 2000· Arbeidsrecht en sociaal-zekerheidsrecht

Deze tekst geldt sinds 29 maart 2000

Voor de berekening van de formatie van de school zijn straks drie bekostigingsgegevens nodig: het aantal leerlingen dat op de teldatum 4 tot en met 7 jaar oud is; het aantal leerlingen dat op de teldatum 8 jaar of ouder is; het schoolgewicht. In de nieuwe systematiek wordt voor jonge kinderen meer formatie toegekend dan voor oudere kinderen. Hiermee wordt recht gedaan aan de prioriteit voor de eerste vier leerjaren, zoals die tot uitdrukking komt in de extra middelen voor groepsverkleining. Om de bekostiging te kunnen baseren op een objectief criterium, wordt niet uitgegaan van het feitelijke aantal leerlingen in de eerste vier leerjaren, maar van de leeftijden op de teldatum. Het aantal kinderen dat op de teldatum 4 tot en met 7 jaar oud is, geldt als grondslag voor de bepaling van de ’onderbouwformatie’, het aantal kinderen van 8 jaar en ouder vormt de grondslag voor de bepaling van de ’bovenbouwformatie’. De begrippen onderbouwformatie en bovenbouwformatie worden hieronder nog toegelicht. Het schoolgewicht is een nieuwe term die uitdrukking geeft aan de omvang van de achterstandsproblemen op de school. Leerlingen met een verhoogd risico op onderwijs-achterstanden krijgen tot nu toe een extra gewicht bij het bepalen van het aantal leerlingen waarvoor een school formatie ontvangt. Er worden vier gewichten onderscheiden: 1,25 voor kinderen met laag opgeleide autochtone ouders, 1,40 voor schipperskinderen, 1,70 voor kinderen van trekkende bevolking en 1,90 voor kinderen van laag opgeleide allochtone ouders. In de nieuwe systematiek wordt de gewichtenformatie losgekoppeld van de basisformatie. In plaats van de huidige berekeningswijze, waarbij het totaal van basisformatie en gewichtenformatie van de school wordt vastgesteld op basis van het gewogen aantal leerlingen, worden groepsformatie en gewichtenformatie voortaan onafhankelijk van elkaar berekend. Het feitelijke leerlingenaantal dient als grondslag voor de basisformatie en het extra gewicht dient als grondslag voor de formatie ter bestrijding van onderwijsachterstanden. Dat betekent dat voortaan gewerkt wordt met de gewichten 0,25 voor kinderen met laag opgeleide autochtone ouders, 0,40 voor schipperskinderen, 0,70 voor kinderen van trekkende bevolking en 0,90 voor kinderen van laag opgeleide allochtone ouders. De criteria voor de vaststelling van de gewichten blijven dezelfde als voorheen. Per school wordt nu de som bepaald van de gewichten van de leerlingen. Deze som wordt vervolgens verminderd met negen procent van het aantal leerlingen op de teldatum. Het verkregen getal (de som van de gewichten der leerlingen verminderd met 9 procent van het totaal aantal leerlingen) wordt rekenkundig afgerond op een geheel getal. Dit getal is het schoolgewicht. Bij een negatieve uitkomst van deze berekening wordt het schoolgewicht op nul gesteld. Bij scholen met nevenvestigingen wordt deze berekeningswijze voor zowel de hoofdvestiging als de nevenvestiging(en) afzonderlijk toegepast. Het schoolgewicht is dan de som van de uitkomst bij de hoofdvestiging en de uitkomst(en) bij de nevenvestiging(en). Deze berekeningswijze wordt geïllustreerd in het eerste rekenvoorbeeld in de bijlage. Het schoolgewicht dient als basis voor de berekening van de formatie voor de bestrijding van onderwijsachterstanden, maar ook als basis voor de berekening van het schoolprofielbudget en de formatieve toeslag voor de schoolleider. Een en ander wordt hieronder nog toegelicht. Een school heeft 250 leerlingen met de volgende gewichten: 100 leerlingen met het gewicht 1,0: in de nieuwe systematiek krijgen deze leerlingen geen gewicht (of gewicht 0); 80 leerlingen met het gewicht 1,25: deze leerlingen krijgen straks het gewicht 0,25; 5 leerlingen met het gewicht 1,70: deze leerlingen krijgen het gewicht 0,70; 65 leerlingen met het gewicht 1,90: deze krijgen voortaan het gewicht 0,90. Voor de bepaling van het schoolgewicht worden eerst alle gewichten bij elkaar geteld: 80 x 0,25 + 5 x 0,70 + 65 x 0,90 = 82,00 Vervolgens wordt hier 9 procent van het totale aantal leerlingen van afgetrokken: schoolgewicht = 82,00 – 250 x 0,09 = 59,50 Dit wordt (rekenkundig) afgerond op 60. Dit schoolgewicht komt hieronder op diverse plaatsen terug bij de berekening van de formatie-omvang van de school.

Rechtspraak bij dit artikel